BRUSSEL - Gouverneur Quaden zegt te hopen dat het voor de nabije toekomst aangekondigde overleg tussen de regering en de sociale partners over de eindeloopbaanproblematiek de lage activiteitsgraad van de 55-plussers ,,geleidelijk maar afdoend zal remediëren''.

Het behoud en a fortiori het opvoeren van het groeipotentieel van de economie is alleen mogelijk indien er een toereikend en aangepast arbeidspotentieel voorhanden is. Het is precies op dit punt dat België zwak scoort: op 100 personen in de arbeidsleeftijd participeren er in België 64 aan de arbeidsmarkt, van wie er 59 effectief een baan hebben, tegen respectievelijk 70 en iets meer dan 64 in de EU-15. Alleen Griekenland en Italië doen nog slechter.

De Scandinavische landen daarentegen hebben zowel een hoge activiteitsgraad als een hoge werkgelegenheidsgraad. Hun voorbeeld bevestigt dat een hogere activiteitsgraad voor oudere werknemers en vrouwen geen bedreiging vormt voor de andere categorieën, en in het bijzonder voor jongeren. ,,Ik besef dat het politiek niet correct is dat te zeggen, maar daar waar de ouderen het meest werken, is de werkloosheid het laagst'', aldus Quaden.

Belgische mannen hebben ook de kortste loopbaan, namelijk 36,6 jaar (in 2000), tegen 40,2 jaar in het eurogebied en 41,1 jaar in de EU-15.

De maatregelen tot verhoging van de arbeidsinzet moeten in de eerste plaats worden afgestemd op de werkloze bevolking. Dat moet gebeuren door opleiding en begeleiding van laaggeschoolde werkzoekenden, het wegwerken van de resterende ,,werkloosheidsvallen'' (te gering verschil tussen nettoloon en werkloosheidsuitkering), strengere toetsing van de effectieve beschikbaarheid van de uitkeringstrekkers voor de arbeidsmarkt en een actief gelijke-kansenbeleid voor vrouwen en etnische minderheden.

Een beheerste ontwikkeling van de loonkosten is niet alleen belangrijk vanuit het oogpunt van de internationale concurrentie, maar evenzeer om te waarborgen dat de economische groei voldoende banen tot stand brengt.

Innovatie moet worden aangemoedigd, niet alleen ter verhoging van de productiviteit maar ook, gelet op de concurrentie vanwege nieuwe spelers op de internationale markten, om onze productiestructuur toe te spitsen op de goederen en diensten waarvoor wij een comparatief voordeel kunnen laten gelden.

De industrie blijft een kapitale rol spelen in onze economie. Ze zorgt voor het leeuwendeel van het lopende overschot met de rest van de wereld en neemt meer dan vier vijfde van de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling van de bedrijven voor haar rekening. Door spin-offs en uitbesteding genereert ze bovendien steeds meer arbeidsplaatsen in de dienstensector, voornamelijk in de dienstverlening aan de bedrijven.

België heeft volgens de Nationale Bank behoefte aan een brede, sectoroverschrijdende strategie die innoverende investeringen en de commercialisering van hoogtechnologische producten en diensten aanmoedigt en die optimale stimulansen verstrekt voor onderzoek en ontwikkeling. Landen zoals Finland en Ierland kunnen ons op dat vlak een en ander leren. Het spreekt vanzelf dat een innovatief bedrijfsklimaat maar kan gedijen in een samenleving die ondernemerschap en zin voor initiatief weet aan te moedigen.

Ook een performant onderwijssysteem is een basisvoorwaarde. Quaden hekelde in dat verband het Franstalig secundair onderwijs in België, dat volgens de Oeso laag scoort, en de versnippering van het hoger onderwijs.

Ten slotte ligt buiten de marktsector nog een groeipotentieel braak in de gezondheidszorg, de persoonlijke dienstverlening, het onderwijs en de culturele voorzieningen. Het aanbod van zulke diensten is echter in belangrijke mate afhankelijk van subsidiëring door de overheid. De verdere ontwikkeling ervan zal dus worden bepaald door de mate waarin de overheid erin slaagt om in een adequate financiering te voorzien zonder haar financiële toestand weer te zien verslechteren. Een belangrijke voorwaarde daartoe is dat de marktsector, door zijn concurrentiekracht, voor het nodige draagvlak weet te zorgen. Maar ook de introductie van efficiëntere beheersmethoden en andere kostenbesparende maatregelen in de social-profitsector zelf kunnen daartoe bijdragen.

(jb)