BRUSSEL - België behaalde in het afgelopen jaar opnieuw een significant hogere economische groei dan het eurogebied als geheel: 2,7 tegen 1,8 procent. Van begin 2002 tot het derde kwartaal van 2004 is het bruto binnenlands product in België met 6,2 procent gegroeid, tegen 3,4 procent in de eurozone.

HET is niet ongewoon dat we bij het begin van een conjunctuuropleving even voorop lopen, maar langer dan enkele maanden duurt die voorsprong doorgaans niet. Wat nu gebeurt, is hoogst uitzonderlijk.

Waarom ligt de economische groei in België nu al drie jaar hoger? Het komt niet door de uitvoer, zo schrijft de Nationale Bank in haar jaarverslag. De export is weliswaar met 6 procent gestegen, maar de import nam nog sneller toe. De nettobijdrage van de buitenlandse handel tot de groei was bijgevolg uiteindelijk negatief.

De Belgische economie had ondanks de koersstijging van de euro baat bij de buitenlandse vraagexpansie, maar andere landen - vooral Duitsland - deden het op dat vlak nog beter. De Belgische ondernemingen zijn niet de meest actieve op de markten (opkomende landen, VS) en voor de producten (hoogtechnologische goederen, uitrustingsgoederen) waarnaar de vraag het sterkst stijgt. Bovendien heeft België de jongste jaren ook inzake kosten aan concurrentiekracht ingeboet.

Het groeiverschil ten voordele van de Belgische economie is volgens de bank te verklaren door de sterker toenemende binnenlandse vraag. De bedrijfsinvesteringen, die in de twee voorgaande jaren waren gekrompen, werden in 2004 met reëel anderhalf procent verhoogd, terwijl ze in het eurogebied opnieuw stagneerden. Maar de grootste duw kwam van het particuliere verbruik, dat net als in 2003 met iets meer dan 2 procent in reële termen toenam. Het groeide veel sneller dan het reëel beschikbaar inkomen, dat slechts in zeer geringe mate toenam.

De spaarneiging nam bijgevolg opnieuw af. In drie jaar daalde ze met 2,3 procentpunt tot 14,2 procent van het beschikbaar inkomen, terwijl ze in het eurogebied gemiddeld beschouwd stabiel bleef en in Duitsland en Nederland steeg. Toch blijft ze nog beduidend hoger dan het Europese gemiddelde, dat net boven de tien procent van het beschikbaar inkomen ligt.

De Nationale Bank meent een verband te zien tussen het spaargedrag van de bevolking en de evolutie van de overheidsfinanciën. Het zeer hoge sparen van de particulieren compenseerde op een bepaald ogenblik het ontsparen van de overheid. Nu het begrotingsevenwicht hersteld is en de fiscale hervorming geleidelijk wordt doorgevoerd, zien de gezinnen betere perspectieven voor hun netto-inkomen. Ze veroorloven zich daarom meer uit te geven. ,,Ik heb nooit gezien dat mijn vrouw meer of minder aankopen deed in functie van de staat van de overheidsfinanciën, maar de theorie werkt'', zo zei Quaden.

Mogelijkerwijs leverde het geld dat in het kader van de fiscale amnestie of om andere redenen werd gerepatrieerd, een bijdrage tot de stevige groei van de investeringen en van de consumptiebestedingen, maar dat valt niet te becijferen.

De verbetering van de activiteit had nog maar een beperkte weerslag op de arbeidsmarkt. In 2004 zouden er 31.000 banen zijn bijgekomen, maar gezien de aangroei van de beroepsbevolking kon dat niet verhinderen dat de geharmoniseerde werkloosheidsgraad opliep van 8,5 tot 9 procent.

De stijging van de consumptieprijzen versnelde van 1,5 tot 1,9 procent, maar de onderliggende inflatietendens (na wegwerking van onder meer de prijsstijging van energieproducten) verzwakte van 2 tot 1,5 procent. De loonkosten stegen matig: met 2,6 procent per uur en met 0,5 procent per eenheid product.

De overheidsfinanciën sloten waarschijnlijk af met een overschot van 0,1 procent van het bbp, waarmee België samen met Finland het enige land van het eurogebied is dat geen tekort laat optekenen. De schuldratio daalde tot 95,6 procent van het bbp.

Toch blijft waakzaamheid geboden, vooral omdat het begrotingsevenwicht mede te danken is aan de uitzonderlijk lage rente en aan nieuwe eenmalige maatregelen (ten belope van 0,7 procent van het bbp, tegen 1,5 procent van het bbp in 2003). De totale fiscale en parafiscale druk steeg lichtjes tot 45 procent van het bbp, maar de druk op de arbeidsinkomens daalde van 27,2 tot 26,5 procent.

De Brusselse beurs deed het met een stijging van 36,5 procent veel beter dan het eurogebied als geheel (+ 10,5 procent). Dit weerspiegelt ten dele een inhaalbeweging na de relatief zwakkere prestaties tijdens de voorgaande jaren. Ook het aanzienlijke gewicht van de financiële waarden, die het dankzij de forse winststijging van de banken zeer goed deden, speelde een rol.