De wet  van Engel  geldt nog altijd
Foto: © An Nelissen
HOE rijker we worden, hoe kleiner het deel van ons inkomen dat aan voeding opgaat. Dat komt in elke analyse van het bestedingspatroon terug. De trend wordt bevestigd door de gegevens uit het Huishoudbudgetonderzoek. In 1995 ging nog 17,5 procent van het beschikbare geld naar voeding, drank en tabak, in 2004 was dat nog 15,8 procent. Voeding zelf is goed voor 12 procent.

Het verschijnsel staat bekend als de wet van Engel. Er bestaat een logische verklaring voor: voeding is een van de belangrijkste levensbehoeften. Wie weinig te besteden heeft, geeft dus daaraan voorrang. Als er meer geld in het laatje komt, verschijnen ook andere levensbehoeften in het vizier. Hoe meer er te besteden is, hoe meer er naar die secundaire behoeften gaat en hoe kleiner het deel van de voeding.

Als de voedingsbestedingen vergeleken worden met het beschikbare inkomen, blijkt de wet eveneens te kloppen. De groep met de laagste inkomens geeft 14 procent uit aan voeding, de groep met de hoogste inkomens maar 12 procent. Ook voor woonkosten gaat iets dergelijks op. De armste groep geeft daaraan 29 procent van de bestedingen uit, de rijkste groep 17 procent.

Ernst Engel, die in de negentiende eeuw het instituut voor de statistiek van Pruisen leidde, heeft vier wetten op zijn naam staan. De eerste wet heeft betrekking op het deel van de voeding in het bestedingspatroon. In de tweede wet stelt hij dat het deel dat aan kleding wordt uitgegeven, gelijk blijft bij een hoger inkomen. In de derde wet beweert hij hetzelfde voor verwarming, licht en huur. En in de vierde wet wordt gesteld dat bij een hoger inkomen relatief meer wordt uitgegeven aan diensten.

De tweede wet klopt niet. Wie meer geld heeft, geeft meer uit aan luxeproducten, zoals dure kleding. Arme gezinnen besteden 3,4 procent van hun inkomen aan kleding, rijke gezinnen 4 procent. Ook de derde wet gaat niet op. Woonlasten wegen minder zwaar op het budget bij welgestelde consumenten dan bij wie het minder breed heeft. De vierde wet klopt enigszins. Engel ging ervan uit dat rijkere mensen meer werkzaamheden voor zich laten doen: ze gaan meer naar een restaurant in plaats van zelf te koken, ze laten een poetsvrouw komen, ze lezen geen boek, maar gaan naar het theater. Dat klopt wel, maar daarnaast blijkt dat vanaf een bepaald inkomensniveau het deel dat aan diensten wordt besteed niet verder toeneemt, maar de uitgaven aan duurzame goederen wel. Met andere woorden: wie rijk is, gaat niet alleen vaker naar het restaurant, maar installeert ook een dure keuken voor die keren dat hij wel thuis kookt. De poetsvrouw kan gebruik maken van een dure wasmachine. En een thuisbioscoop vult de avondjes theater aan.



Het woord consumeren roept een beeld op van drukke winkelcentra en uitpuilende boodschappentassen. Maar het meeste geld geven we niet uit in winkels. Verreweg de grootste uitgavenpost van de Belgische consumenten gaat op aan bakstenen. Van de bestedingen gaat gemiddeld 21,0 procent naar een dak boven het hoofd. Met andere woorden: huur of het afbetalen van de hypotheek. Andere grote uitgavenposten zijn voeding met 15,8 procent en vervoer (vooral de auto) met 13,4 procent. Alle andere uitgavenposten nemen minder dan 10 procent van de consumptie voor hun rekening.

Die gegevens worden regelmatig verzameld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS). Het zogenaamde huishoudbudgetonderzoek geeft een waarheidsgetrouw beeld van het consumptiepatroon van de Belgen. De gegevens worden verzameld door gezinnen die een maand lang heel nauwkeurig hun uitgaven noteren op speciaal daarvoor ontworpen formulieren. De gegevens dienen voor het samenstellen van de index, die de inflatie in België meet. In december 2005 gaf het NIS de resultaten vrij van het Huishoudbudgetonderzoek 2004.

Een belangrijke evolutie is de groei van de telecom-uitgaven, zo bleek toen. In 1995 ging nog maar 1,7 procent van de consumptie naar communicatie, in 2004 was dat toegenomen tot 2,9 procent. Dat heeft natuurlijk veel te maken met de opkomst van nieuwe technologieën zoals de draagbare telefoon en het internet. Aan gsm-toestellen en -abonnementen werd 47 procent meer gespendeerd dan twee jaar eerder; aan internetverbindingen zelfs 150 procent meer.

We gaven met zijn allen ook meer uit aan vervoer. Dat had te maken met de gestegen brandstofprijzen. Daardoor stegen de uitgaven voor de auto met 8,8 procent. Aan openbaar vervoer daarentegen werd veel minder uitgegeven. Dat komt doordat de overheid en de werkgevers een groter deel van de vervoerskosten van de werknemers voor hun rekening nemen. Doordat steeds minder mensen roken, wordt er ook minder uitgegeven aan tabak. En door de veroudering van de bevolking gaat er meer geld naar gezondheidszorg.

Ook op de vraag hoeveel de Belgen dan wel uitgeven geeft het NIS antwoord. Het gaat gemiddeld om 30.607 euro per huishouden per jaar. In Vlaanderen is het wat meer, in Wallonië en Brussel wat minder. Uit de cijfers blijkt ook dat de Belgen minder uitgeven dan ze zouden kunnen besteden. Het inkomen per huishouden bedraagt immers gemiddeld 35.165 euro. Het deel dat niet wordt uitgegeven, gaat naar een spaarboekje of naar beleggingsproducten.

Dat zijn natuurlijk gemiddelden. Want veel Belgische gezinnen hebben het lastig om rond te komen met het geld dat elke maand binnenkomt. Volgens onderzoek van het Antwerpse Centrum voor Sociaal Beleid geldt dat voor 17,2 procent van de gezinnen. Dit zijn niet altijd huishoudens met een laag inkomen. Van de tien procent huishoudens met het hoogste inkomen, slaagt 4 procent er niet in rond te komen.

Het is niet verrassend dat vooral de hogere inkomensgroepen veel sparen. De rijkste tien procent van de bevolking verdient tien maal zoveel als de armste tien procent, maar geeft slechts vijf maal zoveel uit. Een derde van hun inkomen wordt gespaard of belegd.