Hoe zit België op het Europese pad naar de concurrentiële economie? Het antwoord is genuanceerd.



Het 'Lissabon'-seizoen is weer aangebroken. Op 8 maart komen de staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie naar Brussel om de jaarlijkse stand van zaken op te maken op weg naar 2010. Dan moet de Unie de meest competitieve economie ter wereld zijn. Dat is de doelstelling en de lidstaten moeten zelf maar zien hoe ze er geraken.

Meteen duiken her en der, vooral bij de sociale partners, evaluaties op. Naargelang de bron en naargelang de gebruikte maatstaven is het resultaat verschillend.

Een rapport van de Dresdner Bank/Allianz en de Brusselse denkgroep van de Lisbon Council dat vandaag wordt voorgesteld, zet Zweden en België vooraan voor Nederland, Groot-Brittannië, Spanje en Duitsland. Daar waar destijds gezegd werd dat de doelstellingen onhaalbaar zijn, heet het nu dat de ('oude') Unie goede vooruitgang heeft gemaakt en op weg is naar het doel. Negentig procent van de weg is afgelegd, terwijl het einde 2005 maar 73 procent was. De economische groei heeft daar zijn effect niet gemist.

Gisteren legde ook het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) zijn evaluatie voor. De Belgische werkgevers geven toe dat België inderdaad ,,wat inhaalt'', maar het is te weinig, aldus het VBO.

Waar zit het verschil in de evaluatieresultaten?

Het antwoord is dat de twee rapporten gebaseerd zijn op verschillende indicatoren. De Allianz/Lisbon Council-analyse baseert zich vooral op de groei, de productiviteit, werkgelegenheidsgraad, scholingsgraad van de werknemers, investeringen in de toekomstsectoren en openbare financiën.

Het VBO hanteert 55 verschillende indicatoren, waaronder niet alleen de werkgelegenheid maar bijvoorbeeld ook de werkloosheid. Hoe hoger de werkloosheid en hoe hoger de economische groei, hoe groter de productiviteit. Vandaar de hoge Belgische score. Het VBO bleef gisteren hameren op de hoge werkloosheid en het gebrek aan activering.

Gisteren maakte de Europese Commissie ook nog een Eurobarometer bekend over de ,,sociale realiteit'' in de Unie. Daaruit blijkt onder meer dat er onder de Belgische werknemers een opvallend groot vertrouwen aanwezig is dat ze ,,de komende maanden'' hun job zullen behouden. België volgt daar (weer) op Denemarken, Ierland, Luxemburg en Zweden.