ALS een belastingbetaler zijn belastingen niet op tijd betaalt, dan moet hij nalatigheidsinteresten betalen. Voor de meeste belastingen bedragen die 7 % per jaar, voor sommige (indirecte) belastingen rekent de fiscus 9,6 % per jaar aan. De administratie heeft echter in sommige gevallen de mogelijkheid om het geheel of een gedeelte van die nalatigheidsinteresten kwijt te schelden. Maar wat indien de administratie deze kwijtschelding weigert?

Inzake inkomstenbelastingen is het de directeur der belastingen die bevoegd is om het geheel of een gedeelte van de nalatigheidsinteresten kwijt te schelden. Hij mag dat maar doen in ,,bijzondere gevallen'' (art. 417 W.I.B./92). Nu vindt iedere belastingplichtige met achterstallige belastingen van zichzelf wel dat hij een bijzonder geval is. De belastingadministratie heeft het begrip ,,bijzonder geval'' echter ingevuld op basis van de voorbereidende werken van de wet.

Een bijzonder geval is een belastingplichtige die in financiële moeilijkheden verkeert door omstandigheden buiten zijn wil. Ook wanneer de financiële toestand van de belastingplichtige zo is dat hij binnen afzienbare tijd zelfs niet voldoende kan betalen om alleen maar de interest te voldoen, heeft men te doen met een bijzonder geval. In de regel wordt geen vrijstelling van nalatigheidsinteresten verleend aan belastingbetalers die een afbetalingsplan krijgen voor de hoofdsom om een gedwongen verkoop van hun eigendommen te vermijden.

Dat betekent niet dat alleen belastingbetalers die op de rand van het bankroet staan, in aanmerking komen voor kwijtschelding van nalatigheidsinteresten. Op grond van eerdere rechtspraak van de Raad van State legt de administratie enige soepelheid aan de dag en worden verscheidene bijzondere omstandigheden mee in aanmerking genomen. Zo kunnen, bijvoorbeeld, bepaalde verenigingen het uitblijven van hun subsidies inroepen om een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van interesten te bekomen indien zij daardoor niet aan hun verplichtingen konden voldoen.

Wat kan de belastingbetaler doen wanneer de directeur hem deze kwijtschelding weigert ? Vóór de hervorming van de fiscale procedure in 1999 kon de belastingplichtige een negatieve beslissing over zijn verzoek tot kwijtschelding van interesten enkel aanvechten voor de Raad van State. De Raad van State kon enkel nagaan of de beslissing van de directeur in overeenstemming was met de wet en correct was gemotiveerd. Was dat niet het geval, dan werd de beslissing vernietigd. Daarmee had de belastingbetaler echter zijn slag nog niet thuis gehaald. De Raad van State kon immers niet, in plaats van de directeur, de vrijstelling toestaan.

Sinds 1999 is de Raad van State echter niet meer bevoegd voor individuele belastinggeschillen. Deze moeten voor de rechtbank van eerste aanleg worden gebracht. Die rechtbank kan zich uitspreken over alle geschillen die betrekking hebben op de toepassing van een belastingwet. Nu is het artikel dat de directeur de bevoegdheid geeft om fiscale interesten kwijt te schelden duidelijk een ,,belastingwet''.

De vraag is echter wat de rechter kan doen wanneer een belastingplichtige aan hem een negatieve beslissing over een verzoek tot kwijtschelding van nalatigheidsinteresten voorlegt. Volgens de belastingadministratie is zijn bevoegdheid dezelfde als deze van de Raad van State vóór de hervorming. Met andere woorden de rechtbank zou enkel de wettelijkheid en de motivering van de beslissing kunnen controleren. Voldoet de beslissing niet aan de wettelijke vereisten dan kan zij alleen vernietigd worden, maar kan de rechter zelf de kwijtschelding niet toestaan.

De fiscale kamer van de rechtbank van Gent is het daar niet mee eens (Rb. Gent, 28 april 2004, T.F.R., 2004, p. 1036). Geen enkele wet beperkt de bevoegdheid van de rechter bij de beoordeling van geschillen aangaande fiscale nalatigheidsinteresten. Dat betekent, volgens de rechter, dat hij, eenmaal de zaak aan hem wordt voorgelegd, hij deze ook volledig kan oplossen. Dezelfde redenering wordt trouwens gehanteerd voor de administratieve boetes en belastingverhogingen. De rechter kan deze ook met volle rechtsmacht beoordelen, ze verminderen of eventueel volledig kwijtschelden. De rechter is van oordeel dat de belastingplichtige zich in dit geval wel degelijk in bijzondere omstandigheden bevindt die een kwijtschelding van nalatigheidsinteresten verantwoorden. De rechtbank hervormt dan ook de negatieve administratieve beslissing en staat zelf de kwijtschelding toe. Hiermee sluit deze rechtbank zich aan bij een eerdere uitspraak van de Brusselse rechtbank (13 september 2002, Fiskoloog, nr. 875, p. 12). De redenering van deze rechtbanken wordt door Didier Jaecques van een kritische noot voorzien (T.F.R., 2004, p. 1040). De bevoegdheid van de rechtbanken voor administratieve sancties is het gevolg van het feit dat deze sancties worden aangemerkt als ,,straffen'' in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat is niet het geval voor nalatigheidsinteresten. Het laatste woord over deze problematiek lijkt dan ook nog niet gesproken.

Deze rubriek verschijnt wekelijks op donderdag. De auteur is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.