De VS vangen het overschot aan geld op in de economie en houden zo de groei aan de gang.

conjunctuur

Het lijkt de omgekeerde wereld wel. Groeilanden verdienen meer geld dan ze kunnen uitgeven. Ze lenen het daarom uit aan het rijke Westen.

'Intuïtief', geeft de econoom Anton Brender van Dexia toe, 'zou je het tegenovergestelde verwachten. Arme landen, met een bevolking die nauwelijks kan sparen, lenen bij de rijke noorderburen om zo broodnodige investeringen te financieren.' Maar eigenlijk is zowat het omgekeerde gebeurd.

Afgelopen jaar keken de Verenigde Staten tegen een buitenlandse schuld aan van bijna 900miljard dollar, waarvan meer dan de helft geleend werd bij landen in Azië en Latijns Amerika.

Kapitaalstromen die de wereld rondreizen op zoek naar een interessante belegging waren bij het begin van de jaren zeventig nog een marginaal fenomeen, blijkt uit de analyse van Brender en zijn collega Florence Pisani. Nu vertegenwoordigen ze 15procent van de wereldeconomie.

Ze ontstaan in de olieproducerende landen, door een plotse stijging van de olieprijs. Dan nemen de inkomsten te snel toe en volgen de uitgaven niet. Parallel daarmee gaan de gezinnen in het Westen op zoek naar manieren om hun door de dure olie bedreigde welvaart op peil te houden.

Meer kopen op krediet is de eenvoudigste oplossing. De banken hebben geld genoeg ter beschikking. Dat is afkomstig van de olielanden. Als kredietverlening aan de gezinnen niet volstaat, kan ook nog geld worden uitgeleend aan bedrijven die er hun investeringen mee financieren.

Zonder dat mechanisme zouden consumptie en investeringen in het Westen afnemen en verzwakt de groei. De rente daalt en de beleggingen van de olielanden renderen minder. Een soortgelijk mechanisme zorgt ervoor dat de overschotten van de groeilanden, die veel meer uit- dan invoeren, afgeleid worden naar het Westen.

Dat die afnemers vooral in de Verenigde Staten te vinden zijn, heeft veel te maken met de manier waarop gezinnen en bedrijven er reageren op renteverlagingen. In de VS is goedkoop geld een opportuniteit, in Duitsland een reden om meer te sparen.

Het gevolg is wel dat de VS nu tegen een enorme schuld aankijken. Van bijna 20procent van het bruto binnenlands product in de jaren zeventig liep ze op tot meer dan 80procent nu. Maar, argumenteren Brender en Pisani, dankzij de mondialisering wordt dat tekort opgevangen door veel meer landen dan vroeger. Het gevaar dat het niet meer gefinancierd raakt, wordt er kleiner door.

Het is een situatie, zeggen ze, die in theorie drie gevaren inhoudt.

Het eerste is dat sommige landen, om politieke of andere redenen, niet meer aan de VS willen lenen. Het geld zal dan een kleine omweg maken langs een niet-Amerikaanse bank. Geen echt probleem dus.

En wat als de wereld begint te vrezen dat de VS failliet zullen gaan? Die vraag heeft geen zin, want niemand leent aan 'de VS'. Je leent aan Amerikaanse banken of bedrijven door je geld bij hen te beleggen of hun obligatieleningen te kopen. En laat de Amerikaanse banken nu net de best gekapitaliseerde ter wereld zijn, net als de Amerikaanse bedrijven.

Maar wat als de rest van de wereld plots geen overschot meer heeft? Als er meer dan voldoende binnenlandse vraag naar krediet is? Dan zullen de Verenigde Staten hun monetair beleid aanpassen, luidt het. De rente zal dalen, de dollar zal goedkoper worden en de rest van de wereld zal het tekort wegwerken door meer Amerikaanse goederen en diensten in te voeren.

Het enige echte gevaar dat de Verenigde Staten volgens Brender en Pisani bedreigt, is dat de werkloosheid er zou oplopen. Dan bestaat het gevaar dat de gezinnen bezwijken onder hun schuldenlast. Gelukkig hebben de VS daarvoor tegenwoordig genoeg aan een groei van ongeveer 2,5procent.

Enkele jaren geleden was dat nog 4procent of zelfs iets meer. Een verouderende bevolking heeft zo haar voordelen. (lc)