Zijn alle sites 'publiek'?
Foto: © Jimmy Kets
Dat de nieuwe richtlijn van de Raad voor de Journalistiek behoudsgezind is, juicht Tom Naegels toe. Tegelijk heeft hij vragen bij een wat kunstmatig onderscheid tussen wat wel of niet tot het publiek domein behoort.

Ze is vrij streng, de nieuwe richtlijn van de Raad voor de Journalistiek. Of beter: ze gaat in tegen een gebruik dat courant is geworden in de Vlaamse journalistiek. Kort samengevat zegt de 'richtlijn over het gebruik van informatie en beeldmateriaal van persoonlijke websites en sociaalnetwerksites' - die sinds maandag online staat, en een eerste, onrechtstreeks antwoord is op de vraag of media de foto's van de slachtoffers van de busramp in Sierre hadden mogen publiceren - dat informatie die mensen zélf online zetten, daarom nog niet mag worden overgenomen in andere media. Zelfs niet als ze op publieke pagina's staat.

Tot dusver kon je vaak genoeg horen dat wat mensen op het internet plaatsen, publiek was, tenzij een gebruiker er zelf over had gewaakt dat hij zijn gegevens afschermde. Dat onderscheid wordt nu losgelaten: ook wie zijn gegevens op Facebook of andere sociaalnetwerksites niet beveiligd heeft, hoeft niet te accepteren dat zijn foto in de krant of op tv te zien is. En diezelfde lijn wordt doorgetrokken voor 'persoonlijke websites', die 'zich vooral richten tot een specifieke groep of omgeving'. Een blog van de scouts op kamp kan niet zomaar als 'publiek' worden beschouwd, ook al kan iedereen die dat wil hem dan bezoeken.

'Het gaat om de doelstelling van degene die de site maakt', licht Flip Voets, de ombudsman van de Raad voor de Journalistiek, toe. 'Een leerkracht die een blog bijhoudt over een schoolreis, waarop hij iedere dag wat foto's post en een verslag schrijft over wat de leerlingen die dag hebben beleefd, richt zich tot de ouders en familieleden van die leerlingen. In principe kan iedereen die site bezoeken, maar in de praktijk gebeurt dat niet. Op zo'n site de namen van de kinderen noemen, foto's van hen tonen en persoonlijke details over hen vrijgeven, is iets heel anders dan datzelfde doen in een massapublicatie voor enkele honderdduizenden lezers.'

En dus moet een redactie een goede reden hebben om foto's of andere gegevens van die site te gebruiken. Zoals altijd luidt die: 'maatschappelijke relevantie', al is dat een rekbaar begrip. Het voorbeeld dat Voets geeft, vult het klassiek en restrictief in: 'Stel dat je op zo'n persoonlijke website bewijzen vindt van grootschalige fraude, dan is dat een reden om de informatie toch openbaar te maken.'

Busramp

De richtlijn komt na de feiten en kan er dus niet op van toepassing zijn, maar de aanleiding was de berichtgeving over de busramp in Sierre. Ik lees nu: 'Er is bijzondere terughoudendheid vereist wanneer informatie of beeldmateriaal wordt gebruikt dat in een totaal andere context of met een totaal andere bedoeling op het net werd geplaatst dan die van de nieuwsfeiten waarover bericht wordt.' Een leraar die vakantiekiekjes plaatst van blij sleeënde kinderen, kan niet weten dat hij enkele dagen later betrokken zal zijn in een gruwelijk ongeval waarin 22 van die kinderen zullen sterven en dus kunnen die foto's niet dienen als illustratie bij dat ongeval. Ik lees ook: 'Bijzondere terughoudendheid is vereist bij het bekendmaken van gegevens of afbeeldingen die de identificatie mogelijk maken van mensen in een maatschappelijk kwetsbare positie, zoals minderjarigen, slachtoffers van criminaliteit, rampen en ongevallen, en hun familie.' En: 'Bij slachtoffers die geen publieke figuren zijn, vergewist de journalist zich ervan dat hij informatie en beeldmateriaal, afkomstig van persoonlijke websites en sociaalnetwerksites, kan overnemen.'

Of de berichtgeving over het drama ook verkeerd was volgens de toen al bestaande code en richtlijnen, weten we binnenkort. De Raad voor de Journalistiek behandelt een klacht van een familielid van een van de slachtoffers, tegen de twee kranten die foto's van de kinderen hebben gepubliceerd.

Het grote probleem met de richtlijn, zoals ik het aanvoel, is dat ze tegen-intuïtief is. Ze maakt een fundamenteel onderscheid tussen de openbaarheid van internet, en die van de klassieke media. Dat wringt. Voor een journalist is het merkwaardig om teksten te lezen of beelden te bekijken die hij met één klik van de muis opgeroepen heeft, zoals iedereen ze kan oproepen, en diezelfde teksten niet in zijn krant of op zijn zender te mogen citeren. In het geval van minderjarige slachtoffers van dramatische ongevallen is dat te begrijpen - en het is goed dat deze richtlijn de zaken helder stelt. Maar ze gaat verder dan dat. In principe slaat ze ook op discussies op Facebook of onlinefora - kunnen die nog worden geciteerd als voorbeeld van hoe er 'op de sociale media' wordt gedacht? Mag je voor een reportage gebruik maken van beschrijvingen die je op de weblog van de scouts hebt gelezen? En stel dat een twaalfjarig meisje een briljante modeblog bijhoudt - mag je daarover schrijven zonder eerst de toestemming van haarzelf en haar ouders te vragen?

Mijn vraag is dus of het op termijn zinvol is een onderscheid te maken tussen sites die bedoeld zijn voor het brede publiek, en degene die dat niet zijn. Moeten mensen niet leren om zelf niet alles aan de openbaarheid prijs te geven? Het is een fundamentele vraag, die niet definitief beantwoord wordt met deze richtlijn - ook al houdt ze, mijns inziens terecht, voorlopig de conservatieve lijn aan.

De volledige richtlijn staat opwww.rvdj.be

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS)