De kans dat een belegger met een microscoop naar zijn portefeuille kijkt, is vele malen groter dan dat hij een telescoop gebruikt. Maar als hij dan toch een stap achteruit doet en probeert zicht te krijgen op de betekenis van economische trends voor zijn investeringen, blijkt hij vaak verloren te lopen in een bos van gegevens die hem niet wijzer maken en elkaar zelfs vaak tegenspreken. Welke economische indicatoren gebruiken de professionals eigenlijk? En waarom? En zijn die ook bruikbaar voor particuliere beleggers?

Of je nu een doodgewone belegger bent, of iemand die zijn brood verdient met het beheren van vermogens, maakt volgens Peter Vanden Houte, hoofdeconoom van ING, weinig uit. ,,Het enige verschil is dat professionals sneller kunnen reageren, en daarom naar meer (ook minder belangrijke) indicatoren kijken dan hun particuliere tegenhangers.''

,,Zowel voor de professional als voor de particulier is ons uitgangspunt eigenlijk heel eenvoudig'', zegt de hoofdstrateeg van Fortis, Marc Van den Eede. ,,De leidende economische indicator bij uitstek is de beurs zelf. Wij kijken daarom vooral naar de heel ruim samengestelde Standard & Poor's 500.'' Die index bevat, zoals de naam het zegt, vijfhonderd aandelen met een grote beurskapitalisatie. ,,Dit jaar is een goed voorbeeld.'' In maart bereikten de koersen op de meeste internationale beurzen een dieptepunt, waarna ze intussen al met zowat 30 procent zijn gestegen. Zij anticipeerden daarmee op een voorbeeldige manier op een prille, cyclische herleving van de economie, vooral in de Verenigde Staten, maar toch ook enigszins in Europa.

Achteraf is het natuurlijk gemakkelijk om daar mee uit te pakken, geeft de Fortis-strateeg toe, ,,maar het belang van trends en van de wijzigingen daarin kan moeilijk worden overschat''.

De economen en analisten van KBC Asset Management zien het nog iets ruimer. ,,Het belang van een indicator'', zeggen zij, ,,kan afgeleid worden uit de mate waarin de financiële markten (dus niet alleen de beurzen, red.) er meestal op reageren.''

Daarnaast moeten ze voldoen aan een aantal ,,kwaliteitsvereisten'', luidt het bij KBC. Indicatoren moeten voldoende samenhang vertonen met de feitelijke economische ontwikkeling, betrekking hebben op de belangrijkste segmenten van de economie (consumenten, bedrijfsinvesteringen...), snel beschikbaar zijn en toch niet al te frequent herzien worden, en niet te vluchtig evolueren, want een indicator die wild op en neer beweegt, kan moeilijk worden geïnterpreteerd en biedt bijgevolg weinig informatie.

Maar zelfs als aan al die voorwaarden is voldaan, waarschuwen verscheidene economen, moet je oppassen voor de manier waarop de markt met bepaalde indicatoren omgaat. Het verschil tussen de realiteit en de perceptie ervan, noemt Van den Eede dat.

Daarom gaat Van den Eede op zoek naar de consensus, zeg maar het dominerende idee, in de markt. ,,Het heersende wereldbeeld is misschien wat hoogdravend, maar we zijn er toch niet ver af.'' En dan gaan de analisten van Fortis na ,,waar de gaten zitten''. Zij kijken met andere woorden waar hun visie afwijkt van de mening die de markt er op dat ogenblik op na houdt. ,,En dan wordt het kiezen. Volgen we de overheersende visie of nemen we extra risico, wat ons de kans biedt om beter te doen dan de markt. Als het goed gaat.''

Over het algemeen, daar zijn de meeste analisten het over eens, verdienen de ,,leidende'' -- of zijn het ,,lijdende'', zegt Van den Eede lachend -- indicatoren meer aandacht dan hun ,,afgeleide'' tegenhangers zoals bouwactiviteit, werkloosheid en consumentenvertrouwen. Voorspellende of misschien beter nog ,,vooroplopende'' indicatoren geven een idee waar de economie de komende maanden naartoe gaat.

Afgeleide indicatoren bevestigen enkel dat een bepaalde evolutie heeft plaatsgevonden. De inflatie is een typische afgeleide indicator, net als de bouwactiviteit. Mensen bouwen maar als ze zeker zijn van hun baan en van hun inkomen. Als de activiteit in die sector begint toe te nemen kun je er donder op zeggen dat het al heel wat maanden beter gaat met de economie.

Maar je moet oppassen, vindt hoofdeconoom Geert Noels van het beurshuis Petercam. De begrippen ,,leading'' en ,,lagging'' -- de Engelse termen doen het in dit wereldje heel wat beter -- zijn vrij relatief. ,,Kijk maar even naar de werkloosheid in de Verenigde Staten.'' ,,Normaal gesproken is dat een afgeleide indicator, maar toen hij na de zomer een tijdlang bleef hangen, en de economie dus op een 'jobless recovery' (een economisch herstel dat geen banen creëert, red.) leek af te stevenen, dreigde daardoor een nieuwe economische inzinking.'' Op die manier werd de werkloosheid dus bijna een bode van nieuw onheil.

Vanden Houte en zijn collega William De Vijlder van Fortis Investment Management zijn het daar volledig mee eens. ,,Iedereen weet dat in de eerste fase van een heropleving de arbeidsmarkt zwak blijft. Als voorspeller van de economische activiteit zijn werkloosheidscijfers dan ook waardeloos. Maar de evolutie van de arbeidsmarkt is politiek erg belangrijk en ze heeft ook invloed op het monetair beleid.''

,,Zo blijkt dat de Federal Reserve (de Amerikaanse centrale bank, red.) tijdens de voorbije decennia systematisch gewacht heeft op een significante daling van de werkloosheid, vooraleer de rente weer te verhogen. In die zin kan het maandelijks rapport over de Amerikaanse arbeidsmarkt belangrijke informatie geven over de richting die het monetair beleid zal inslaan.''

,,De vrees voor een groei zonder nieuwe banen is nog lang niet verdwenen,'' geeft Vanden Houte nog mee. ,,Daarom zijn de Amerikaanse werkgelegenheidscijfers momenteel van uiterst groot belang.''

,,Lagging indicatoren zijn van veel minder belang,'' bevestigt ook hoofdeconoom Frank Lierman van Dexia. Hij zelf spreekt van ,,afgeleide indicatoren die toch hun belang hebben en waarvan de ontwikkeling sterk wordt uitvergroot''. Het klinkt misschien wat cryptischer, maar eigenlijk bedoelt hij ongeveer hetzelfde. ,,Ze worden weliswaar sterk beïnvloed door de echte economische indicatoren, maar omdat ze zoveel aandacht krijgen, beïnvloeden ze op hun beurt de economische evolutie, zeker als ze niet evolueren zoals je op basis van de voorspellende indicatoren zou verwachten.''

Maar er is volgens Geert Noels nog een ander ,,heel groot probleem'' met de ,,leading'' en de ,,lagging'' indicatoren. De meeste vooruitlopende indicatoren hebben in princiep de grootste voorspellende waarde. Maar dat blijken haast allemaal financiële indicatoren te zijn. En die zijn erg gevoelig voor manipulatie.

Kijk maar naar wat voorzitter Alan Greenspan van de Amerikaanse centrale bank net voor de zomer heeft gedaan. De kortetermijnrente kan hij controleren. Ze wordt keer op keer verlaagd, tot begin dit jaar een historisch dieptepunt werd bereikt.

Zo'n aanhoudende renteverlaging pompt massa's geld in de economie. Dat doe je maar als de economie achteruitboert en er geen gevaar is voor inflatie. Met andere woorden: als het risico nagenoeg onbestaande is dat de economische vraag hoger oploopt dan het aanbod. Economen zien in een aanhoudende rentedaling dus een teken dat het niet goed gaat met de economie.

Maar half juli hield Greenspan het Amerikaanse Congres voor dat de hoogdagen van de obligatiemarkt achter de rug waren. Hij wou daarmee aangeven dat de beurs opnieuw geld zou beginnen aantrekken omdat de economie in de Verenigde Staten op een keerpunt was gekomen.

De markt begon daarop wel erg enthousiast vastrentend papier te dumpen, wat de koersen ervan deed zakken en de rendementen in de Verenigde Staten omhoogjoeg, van nauwelijks 3,1 procent midden juni tot net geen 4,5 procent eind deze maand. In Europa reageerden de beleggers wat rustiger, maar de rente ging er toch ook van minder dan 3,5 tot bijna 4,4 procent in iets meer dan drie maanden.

Tegenover die voorspellende financiële indicatoren, waaruit analisten de jongste weken wel moeten besluiten dat er een krachtig economisch herstel op komst is, staan de indicatoren uit de reële economie -- industriële productie, kleinhandelsverkopen, uitvoer... -- die veel tammer reageren, en nu en dan zelfs gewoon in het rood zakken.

Draaien we niet gewoon in een cirkeltje, vraagt Noels zich af. ,,Kijkt de markt niet gewoon naar haar eigen staart?'' Het gevolg is dan een relatief groot optimisme bij analisten en beleggers, dat -- vooral in Europa -- niet altijd gedeeld wordt door de bedrijfsleiders en zelfs niet altijd door de feiten wordt bevestigd.

De Vijlder is het daar maar gedeeltelijk mee eens. ,,Het klopt dat je in het beste geval maar 50 procent van de reële economische evolutie kunt voorspellen aan de hand van bijvoorbeeld de hellingsgraad van de rentecurve. En dat is inderdaad vooral omdat de overheid ingrijpt. Maar als je daar rekening mee houdt, en vooral de evolutie op iets langere termijn bekijkt, heb je nog steeds een van de belangrijkste indicatoren. Voor mij zelfs dé belangrijkste.''

  • Dit is de eerste aflevering in een reeks van twee. Volgende week bekijken we de indicatoren die aandacht verdienen.