BRUSSEL -- In de jaren negentig van vorige eeuw waren fiscale producten in. Bankiers liepen de deuren van hun goede klanten plat om ze ervan te overtuigen om zich de nieuwste fiscale spitstechnologie aan te schaffen. De bedrijfsleiders die zich daartoe lieten verleiden, werden niet alleen door de fiscus aangepakt, maar riskeren het nu ook aan de onderzoeksrechter te moeten uitleggen. En dat allemaal omdat de eerste belastingbetaler zijn proces in eerste aanleg gewonnen heeft.

Het product in kwestie is het FBB of het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting. Dat FBB is een soort belastingkrediet dat een belastingplichtige krijgt omdat hij roerende inkomsten heeft waarop in het buitenland al belasting is ingehouden. Typisch voor het FBB van het begin van de jaren negentig is dat het forfaitair was. Het volstond dat er in het buitenland een belasting op het inkomen was geheven, om recht te hebben op deze belastingaftrek.

De belastingaftrek bedroeg toen in alle gevallen vijftien procent van het netto interestinkomen, zelfs al was in het buitenland maar vijf procent belasting ingehouden. In sommige gevallen werd zelfs een krediet van vijftien of twintig procent toegestaan zonder dat er in het land van herkomst belast was. Dat heette dan een tax sparing credit.

Aanvankelijk werd dat FBB nagenoeg alleen gebruikt door de banken voor hun beleggingen in het buitenland. Vanaf het einde van de jaren tachtig begonnen de banken er echter een product van te maken en er hun klanten voor warm te maken. Over de hele wereld werden obligaties gezocht met een minimum aan belasting en een maximum aan belastingkrediet. Door een combinatie van het belastingkrediet en de minderwaarden en verliezen bij doorverkoop van de buitenlandse obligaties, slaagden sommige banken erin om de belasting op de gewone winsten van hun klanten voor een groot deel te neutraliseren. Omdat de vergoeding van de bank in veel gevallen bestond uit een percentage van de belastingbesparing van de klant (en bovendien fiscaal aftrekbaar was), vaarde iedereen er wel bij, behalve de fiscus.

Een reactie kon dan ook niet uitblijven. De wet werd aangepast om dit soort oneigenlijk gebruik uit te sluiten en de belastingdiensten gingen over tot fiscale rechtzettingen en probeerden de belastingvermindering door het FBB te weigeren. Hiervoor riepen de controleurs een veelheid aan argumenten in. De verrichtingen zouden niet zijn gedaan om belastbare inkomsten te verwerven, zodat de kosten ervoor niet aftrekbaar zouden zijn. De belastingbetaler zou nooit de juridische eigenaar van de effecten zijn geweest omdat ze niet op zijn naam waren ingeschreven bij de buitenlandse instelling. De effecten zouden geen echte buitenlandse effecten zijn, maar Belgische omdat ze door Belgische instellingen werden beheerd en uitgegeven.

In een eerste zaak die werd gepleit voor de rechtbank van eerste aanleg van Namen, werden deze argumenten door de rechter van tafel geveegd (vonnis van 20 juni 2003, besproken in F.E.T. van 12 juli 2003) . De rechtbank oordeelde dat de belastingbetaler rechtsgeldig gebruik had gemaakt van een achterpoortje in de wetgeving. Als de fiscus van mening is dat het allemaal frauduleus is, had hij maar een strafklacht moeten neerleggen.

Gevolg: niet alleen zal de fiscus beroep aantekenen tegen dit vonnis, maar bovendien is hij van plan om tegen alle bedrijven die nog FBB-procedures hebben lopen, een klacht in te dienen wegens valsheid in geschrifte.

Het ziet er daarom naar uit dat de ondernemingen in kwestie in de komende weken of maanden een bezoek van het parket kunnen verwachten. Zij kunnen alleszins inroepen dat er in het begin van de jaren negentig geen reden was om te twijfelen aan de eerbaarheid van de bankier die hun het product heeft voorgesteld. Of dat nu nog het geval is, laten we hier in het midden.

  • Deze rubriek verschijnt wekelijks op donderdag. De auteur is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.