BRUSSEL -- Een volledige terugtocht uit continentaal Europa, twee Amerikaanse ketens in de etalage, 4.400 banen die onherroepelijk sneuvelen: wat ooit de parel aan de kroon was van het Britse bedrijfsleven, zorgt nu voor een schokgolf door Europese winkelstraten. Tot overmaat van ramp is het een Belg die de bijl zet in een van de meest opmerkelijke stukjes Britishness. Maar wie een tanker wil keren, moet hard aan het roer sleuren.

Don't ask the price, it's a penny!'' Het frisse enthousiasme waarmee Michael Marks, een Joodse immigrant, en zijn vriend Thomas Spencer hun waar aanprezen op de markt van Manchester, dateert ondertussen van meer dan een eeuw terug. De berichten over wat decennialang Groot-Brittanniës ,,most admired company'' was, werden er de laatste jaren almaar treuriger op. Weer tegenvallende omzetcijfers, verlieslatende afdelingen, muizenissen aan de bedrijfstop: als het over Marks & Spencer (M&S) ging, konden zelfs ernstige Britse kranten als The Independent of The Financial Times hun ontgoocheling nauwelijks verbergen.

Een vergelijking met het lot van het Britse empire lijkt wat overtrokken, maar in het geval van Marks & Spencer heeft dergelijke grootspraak misschien toch enige relevantie. Marks & Sparks, zoals de keten liefkozend genoemd wordt, is een instituut in Groot-Brittannië. De sobere, betaalbare kleding was het uniform van een trotse Britse middenklasse. De beleefde en in het verleden vaak baanbrekende service een exportproduct. Het vlaggenschip van de keten op de Londense Oxford Street is niet voor niets een toeristische trekpleister voor dagjesmensen uit ,,het continent''.

De terugtocht uit Europa is pijnlijk en dat heeft niet alleen met sentiment te maken. Het is meteen het einde van een vijftig jaar oude internationale expansiestrategie van de keten. Wat beleggers niet meteen groeiperspectieven geeft. Bovendien waren de Europese vestigingen door de band genomen van redelijk recente datum. Het winkelpark op de Britse eilanden vertoont, op de vestigingen in de grote steden na, meer zichtbare tekenen van aftakeling.

Aan de echte ziekte van M&S heeft Luc Vande Velde, de Belgische gedelegeerd bestuurder, op het eerste gezicht nog weinig remedie geboden. De diagnose heeft hij nochtans al vaker verwoord. Die is in enkele eenvoudige zinnen te vatten. Het brede, modale publiek dat de keten groot heeft gemaakt, bestaat steeds minder. Voor de nieuwe generatie is kleding iets om zich te onderscheiden. Wie trendy wil zijn, kan in Engeland terecht bij ketens als Next en Gap ; in ,,Europa'' schieten de Zara's en H&M's als paddestoelen uit de grond.

En wie zich tevreden stelt met tijdloze kledij, heeft tegenwoordig betere alternatieven, zowel duurdere als goedkopere. Sandwiched , heet dat in goed Engels, een probleem dat concurrenten als C&A en Peek & Cloppenburg (P&C) maar al te goed kennen. Ruim een jaar gelden sloot de eerstgenoemde keten alle 108 vestigingen in Groot-Brittannië. De tweede volgde enkele maanden later door de decimering van zijn winkelbestand in België en Nederland.

Bovendien is M&S -- net als C&A en P&C overigens -- in zekere zin het slachtoffer van zijn eigen succes. Instituten verworden vaak tot ministeries. Hiërarchie en bureaucratie, om enkele slechte gewoontes te noemen, zijn moeilijk te keren. Waarom zou je, als het goed gaat?

En op moderne trends werd te laat gereageerd. Zo bleef M&S tot vorig jaar trouw aan zijn lokale Britse leveranciers, terwijl alle concurrenten al decennialang de derde wereld afschuimen naar goedkope en flexibele toelevering. In de Brusselse vestiging werden de beroemde broodjes elke dag uit Londen overgevlogen.