De Oeso-landen moeten beletten dat instellingen voor exportkrediet nog projecten financieren die milieuschade veroorzaken of die immoreel zijn.

In het debat dat na de wereldhandelsconferentie in Seattle werd gevoerd, is er maar weinig aandacht besteed aan instellingen die door de overheid worden gefinancierd en die met hun financiële macht en wereldwijde impact in zekere zin de Wereld Handelsorganisatie (WTO) in de schaduw stellen. Maar dat zal wellicht veranderen.

Tijdens een vergadering van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) in Parijs, zal worden gediscussieerd over de schade die export credit agencies (ECA's -- instellingen voor exportkredieten) veroorzaken aan het milieu. Het ligt in de bedoeling een pakket maatregelen op te stellen voor een gemeenschappelijke aanpak van milieuproblemen en om afspraken te maken over richtlijnen voor exportfinanciering.

ECA's zoals de Export-Import Bank in de Verenigde Staten en Japan, het Duitse Hermes Guarantee, het Franse Coface en Sace in Italië, subsidiëren per jaar bijna 8 procent van de wereldhandel. Via leningen met overheidsgarantie, regelingen voor waarborgen en verzekeringen wordt elk jaar voor ruim 400 miljard dollar aan exporttransacties gedekt. Per jaar wordt meer dan 50 miljard dollar besteed aan grote infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden. Dat is meer dan wat alle multilaterale en bilaterale instellingen voor ontwikkelingshulp samen besteden aan financiële hulp.

ECA's hebben, zoals de WTO, maar één punt op hun agenda: handel en anders niets. In essentie hanteren ze een puur mercantiele strategie door hun nationale kampioenen te helpen bij de verovering van de exportmarkten. Hun strategie gaat lijnrecht in tegen de pleitbezorgers van een wereldwijde economie, die vruchten zou moeten afwerpen voor alles en iedereen die erbij betrokken is. Dus ook voor de armen en voor het milieu. Een wereldeconomie zonder wrijvingen is even utopisch als het communisme, die andere grote economische dwaasheid van de twintigste eeuw.

ECA's houden doorgaans geen rekening met de sociale en ecologische gevolgen van hun activiteiten. Volgens Transparency International, een organisatie die onderzoek doet naar corruptie, hebben ECA's een heleboel projecten gesteund waar op grote schaal corruptie en wanbeheer aan te pas kwamen. ECA's doen hun werk in beslotenheid en voeren geen beleid van publieke openheid zoals bijvoorbeeld de Wereldbank. Ze hebben op grote schaal projecten gefinancierd die economisch niet gezond waren, met vooral schadelijke gevolgen voor de armen in de ontwikkelingslanden.

Voor veel Europese ECA's is wapenexport een topprioriteit. Het British Export Credits and Guarantee Department (ECGD) heeft bijvoorbeeld een waarborg verleend voor een wapenverkoop aan Indonesië voor meer dan 1 miljard dollar. Hermes sloeg een paar jaar geleden een flinke slag toen het aan Suharto van Indonesië de afgedankte marinevloot van Oost-Duitsland verkocht.

Projecten die door ECA's worden gedekt, zijn verantwoordelijk voor een vierde van de openbare schuld van de ontwikkelingslanden en voor 56 procent van de uitstaande schuld bij internationale instellingen. Een flink deel van die schulden is afkomstig van nogal dubieuze investeringen, waaraan instellingen voor ontwikkelingshulp niet wilden meewerken. Een bekend voorbeeld is de Three Gorges Dam in China. Duitse, Zwitserse, Zweedse, Canadese en Franse ECA's rolden vechtend over de vloer om het project te mogen financieren, nadat de Wereldbank en de Amerikaanse Export Import Bank hun steun hadden geweigerd vanwege de schadelijkheid voor het milieu.

In Turkije denken zeven ECA's erover om 850 miljoen dollar te pompen in de Ilisudam. De bouw van die dam zal gevolgen hebben voor de Tigris, aan de grens van Syrië en Irak, en 20.000 Koerdische vluchtelingen zullen weg moeten uit die streek.

Sommige regeringen beginnen zich nu verantwoordelijker te gedragen ten aanzien van die instellingen. De Britse minister van Financiën, Gordon Brown, heeft onlangs aangekondigd dat de ECGD geen waarborg meer zal geven voor de verkoop van wapens aan de armste landen van de wereld. Verschillende ECA's zijn begonnen met rudimentaire onderzoeken naar milieueffecten.

Tijdens de G8-top in Keulen, in 1999, zijn de regeringen overeengekomen om binnen de Oeso een gemeenschappelijk milieubeleid voor exportfinanciering uit te werken. Dat zou binnen twee jaar klaar moeten zijn. De Oeso-bijeenkomst in Parijs moet die taak opnemen.

Maar gezien de ingebakken nationale belangen die hierbij meespelen, maakt een grondige hervorming maar weinig kans. Het handelsdirectoraat van de Oeso, dat de onderhandelingen leidt, lijkt af te stevenen op hetzelfde debacle als vorig jaar met de mislukking van het Multilateraal Investeringsakkoord.

Het protest in Seattle heeft onder meer als resultaat gehad dat bij de regeringen en de internationale instellingen het besef is doorgedrongen dat er meer klaarheid moet komen en meer samenwerking met milieugroepen en vakbonden. Maar vele ECA's staan nog mijlenver af van dat besef.

Intussen wordt de legaliteit van de subsidies die ECA's geven, buiten de discussie gehouden. Het handelsakkoord van de Uruguayronde heeft expliciet die ECA's vrijgepleit die zich akkoord hebben verklaard met gemeenschappelijke intresttarieven.

Niets belet dat die instellingen ook akkoord zouden gaan om te stoppen met hun nietsontziende concurrentieslag om geld te pompen in steeds groter wordende sociaal-ecologische rampen.

Een toenemend aantal milieu-, ontwikkelingshulp- en mensenrechtengroepen en kerkgroepen verkondigen een boodschap die de hele wereld moet horen. Het gebrek aan gemeenschappelijke sociale- en milieunormen voor de ECA's heeft geleid tot misbruik van publieke fondsen en het heeft de langetermijnbelangen van iedereen op deze planeet schade toegebracht.

De auteur is directeur internationale betrekkingen van Environmental Defense, de Amerikaanse milieugroep.

© The Financial Times