Hervormingen voor een vrije markt in Duitsland zouden Tony Blair de mogelijkheid bieden om de binnenlandse oppositie tegen de euro te counteren.

Niet voor de eerste keer geloven de Europeanen van het vasteland dat ze alle recht hebben om Groot-Brittannië de rug toe te keren. In plaats van in te zien dat het aan ons is om de vooroordelen en angsten te corrigeren die veel Britten hebben over de Europese Unie, groeit de algemeen aangenomen Duitse visie nog dat de Britten weinig affiniteit hebben met Europa.

Recentelijk werden de pogingen geblokkeerd om een compromis te bereiken over de belasting op inkomens uit spaargeld -- zo leek het toch -- door de Britse dreiging om zijn veto te gebruiken, zuiver uit nationaal eigenbelang. Dergelijke gebeurtenissen maken het voor andere Europeanen gemakkelijk om zelfvoldaan te verklaren dat het continent het goed doet samen en dat de kritiek op het enfant terrible van over het Kanaal volledig terecht is.

Maar wat gebeurt er hier echt in politiek-economische termen? Begrijpen zij die het ernstig menen met de Europese integratie, niet dat ze al wekenlang de Britse eurosceptici voorzien van de nodige munitie? De Duitse kritiek op het vijandig bod van Vodafone Airtouch op Mannesmann was vermengd met nationalisme. En de poging om Holzmann te redden heeft geleid tot protectionistische eisen bij de vakbonden.

Het gevolg is dat de Britten die willen geloven dat de rest van Europa inherent interventionistisch is en gekant is tegen de markten en het ondernemerschap, hun vermoedens bevestigd zien. Op dezelfde manier wordt de voorgestelde richtlijn over de belasting geen eerbare poging om een effen speelveld te creëren, maar een poging om een continentaal Europees ,,socialisme'' op te dringen.

Voor de gewone mensen in Londen, Manchester of Glasgow zijn dergelijke discussies een aanval op de vrijemarkthervormingen die de jongste twintig jaar met veel moeite werden bereikt in Groot-Brittannië. Elk Europees geïnspireerd initiatief loopt daardoor het risico om emotioneel en intellectueel verworpen te worden. Slimme politici maken daar natuurlijk gebruik van en het enthousiasme van Tony Blair voor Europa begint te verminderen.

De Duitse politici moeten ook herverkozen worden. En omdat er verkiezingen voor de deur staan voor twee parlementen -- in Schleswig-Holstein en Noordrijn-Westfalen -- is het niet realistisch te verwachten dat er in de zeer nabije toekomst belangrijke marktgeoriënteerde hervormingen zullen plaatsvinden.

Maar eens de verkiezingen voorbij zijn, zal kanselier Gerhard Schröder de kans hebben om zijn verkiezingsprogramma naar voren te schuiven. Tegen het einde van dit jaar kan hij beginnen met belastinghervormingen, met een sterke vermindering van de bedrijfsbelasting en een verrassend gedurfde vermindering van de personenbelasting. Een mogelijkheid is een algemeen beleid gericht op de aanbodzijde, in de lijn van het rapport dat Blair en Schröder vorig jaar opstelden over de toekomst van centrum-links in Europa. De vermindering van subsidies en een grondige hervorming van het Duitse welvaartssysteem, vooral van de pensioenen, zijn de dringendste punten.

Als Berlijn die maatregelen kan doorvoeren en kan aandringen op gelijkaardige hervormingen in Italië en Frankrijk, zou dat veel argumenten van de Britse eurosceptici ondermijnen. In die zin heeft Berlijn de sleutel in handen voor de Britse toetreding tot de eurozone.

Op dit moment lijkt een snelle toename van het aantal leden in de eurozone niet waarschijnlijk. De lijst van mogelijke nieuwkomers is beperkt tot Griekenland en Denemarken en, als alles goed gaat, ook Zweden, waar de sociaal-democraten zich willen klaarmaken om volgend jaar de EU voor te zitten.

Een heroriëntatie van Schröders beleid is een absolute voorwaarde om Groot-Brittannië in de eurozone te krijgen op het moment van de invoering van de eurobiljetten en -munten. Op voorwaarde natuurlijk dat een algemene Britse verkiezing in de lente van 2001 en een referendum in de herfst van hetzelfde jaar geen resultaten opleveren die dat plan onmogelijk maken.

De toetreding van Groot-Brittannië tot de eurozone hangt natuurlijk ook af van een minder strikte interpretatie van de regel over het lidmaatschap van het wisselkoersmechanisme en van een realistische bepaling van de conversiekoers van het pond (Die zal minstens 15 procent onder de huidige marktwaardering moeten liggen). Een constructieve houding op het continent zou helpen om de nachtmerrie te vergeten van het pond dat in 1992 uit het wisselkoersmechanisme stapte. Sommige Britten geloven nog altijd dat die werd veroorzaakt door de Bundesbank, die weigerde de Duitse intrestvoeten te verminderen.

Zal Schröder zo'n strategie volgen? Zijn de Duitse kiezers bereid om die verantwoordelijkheid voor Europa op te nemen? Daar bestaan twijfels over. Er bestaat nog altijd veel scepticisme over de vlotte toetreding van alle Europese landen tot de eurozone. Bouwen aan een geïntegreerd Europa lijkt niet de topprioriteit te zijn voor iedereen.

We moeten hopen dat Duitsland begrijpt waar zijn Europese belangen liggen en dat Europa als geheel de historische kans zal grijpen om verder te bouwen op zijn sterke punten, eerder dan te kiezen voor het behoud van de verdeling.

(De auteur is hoofdeconoom bij de Deutsche Bank Group.)

© The Financial Times