BRUSSEL -- Er is nogal wat beroering in de fiscale wereld over het vonnis in de zaak Artwork Systems. Op creatieve ,,fiscal engineering'' is nu toch wel creatieve rechtspraak gevolgd.

Het ging over een bedrag aan belasting van meer dan 56 miljoen euro, wat de zaak op zich al belangrijk maakt. Drie ex-werknemers van Barco richten een vennootschap op, actief in de softwaresector. Ze hebben veel succes, en willen met hun vennootschap naar de beurs, meer bepaald de Easdaq. Daarbij wilden ze graag:

  • de reserves uit de vennootschap halen, zonder belasting;
  • meerwaardebelasting vermijden;
  • successierechten vermijden bij overlijden van één van de vennoten;
  • roerende voorheffing vermijden bij dividenduitkering na de beursintroductie.
  • Blijkbaar was de hele constructie mede ingegeven door het feit dat ze dachten dat, bij verkoop op de beurs, de fiscus het bewijs zou kunnen eisen dat ze niet aan een buitenlandse vennootschap hadden verkocht. Als men immers minstens 25 procent aandelen van een Belgische vennootschap heeft, en die aan een buitenlandse vennootschap verkoopt, is er een belasting van 16,5 procent verschuldigd (plus gemeentebelasting). En die wilden ze liever niet betalen, zoals gezegd.

    Daartoe werd een vrij ingewikkelde constructie bedacht. Vereenvoudigd komt het erop neer dat elke aandeelhouder een Panamese vennootschap koopt, die een Luxemburgse vennootschap opricht, die op haar beurt een Belgische holding opricht, waaraan de aandelen van het softwarebedrijf uiteindelijk worden verkocht tegen een lage prijs. De Belgische holding brengt ze naar de Easdaq, en realiseert een belangrijke meerwaarde. Die wordt dan als dividend via Luxemburg naar Panama doorgegeven, zonder belasting. Een dividend van België naar Luxemburg kan immers zonder roerende voorheffing gebeuren, als het om een normaal belaste Luxemburgse vennootschap gaat, en dat was inderdaad het geval.

    De gevolgde weg had ook onder meer tot voordeel dat de centen -- zowel de opbrengst van de verkoop op de beurs als de dividenden van de andere aandelen die niet verkocht werden -- op die manier naar een buitenlandse holding verhuisden, waar het rendement ervan niet belast werd. Bovendien was de structuur anoniem.

    De bijzondere belastinginspectie hield voor dat de Belgische holding een belastbaar voordeel ontvangen had van 116,5 miljoen euro, het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs op de beurs.


    Getrouw beeld
    De rechter verwijst vervolgens naar de regel in het boekhoudrecht die stelt dat de jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, en hij verwijst o.m. ook naar een cassatiearrest van 18 mei 2001 inzake het recht van opstal.

    Over dat arrest is het laatste woord nog zeker niet gezegd en geschreven.

    Toch nu al volgende bedenkingen:

  • 1. De betrokkenen wilden blijkbaar vermijden dat de fiscus hun het bewijs vroeg dat ze níet aan een buitenlandse vennootschap verkochten.
  • De vraag rijst of de fiscus dat wel kon. Vroeger, vóór de coördinatie van het wetboek in 1992, was dat -- in theorie -- wel zo. De wet belastte toen in principe alle meerwaarden, en de verkoop aan natuurlijke personen en aan Belgische rechtspersonen was de uitzondering. Welnu, een uitzondering moet bewezen worden (oud art. 67bis). Sinds de coördinatie is dat echter niet meer zo, en de fiscus moet nu bewijzen dat je aan een buitenlandse vennootschap hebt verkocht (art. 90,9 WIB).

  • 2. Het ,,anoniem maken'' van het vermogen is niet verboden. Het niet-aangeven in de successierechten van bepaalde activa uiteraard wel, maar dat doet de overledene niet zelf, maar zijn erfgenamen. Bovendien was het nog lang niet zeker dat de betrokkenen hun laatste woonplaats in België zouden hebben, zodat het dus ook nog niet zeker was dat er ooit wel successierecht verschuldigd zou zijn.
  • 3. De rechter heeft zich duidelijk geërgerd aan de ,,geheimdoenerij'', aan de ingewikkelde constructie, de lange ketting vennootschappen, en het feit dat de centen in het buitenland eindigden. De vraag is echter of de ingeroepen wetsartikelen daarvoor een voldoende grondslag bieden.
  • De rechter stelt immers dat ,,teneinde een jaarrekening op te stellen die een getrouw beeld gaf, eiseres de opbrengst in natura die overeen stemde met de kosteloze eigendomsverkrijging tegen de werkelijke waarde moest waarderen.''

    Maar is er hier wel sprake van een kosteloze eigendomsverkrijging? Een verkrijging tegen een (te) lage prijs is toch nog niet kosteloos?

  • 4. Als het vonnis tot gevolg zou hebben dat alle verrichtingen tegen marktprijs geboekt moeten worden, dan zijn we met één klap bij de Amerikaanse ,,mark to market'' -theorie aangeland, zonder enig wetgevend ingrijpen, en dat voor alle activa. En dat terwijl er op Europees vlak zware discussies aan de gang zijn of die theorie misschien stilaan voor financiële instrumenten ingevoerd zou mogen worden.
  • Of het vonnis in beroep zal standhouden, is dan ook verre van zeker.

  • Deze rubriek verschijnt wekelijks op donderdag. De auteur is advocaat bij Tiberghien advocaten.