BRUSSEL -- Dat de aanhoudende conjunctuurmalaise het vertrouwen van de werkgevers en van de consumenten heeft aangetast, was al bekend. Nu wijst een enquête in opdracht van het uitzendbedrijf Randstad uit dat de economische onzekerheid ook het vertrouwen van de Belgische werknemers de dieperik injaagt. Slechts 41 procent laat zich positief uit over zijn kansen op de arbeidsmarkt. In juli was dat nog 49 procent, twee jaar geleden zelfs 62 procent.

Enquêtes naar het vertrouwen van bedrijfsleiders in de economische gang van zaken bestaan al jaren; hetzelfde geldt voor het consumentenvertrouwen. Voor analisten en beleidsmakers gaat het om twee belangrijke psychologische indicatoren. Ze dienen als basis voor hun groeiprognoses, naast de harde economische en financiële cijfergegevens.

Randstad voegt daar nu een derde barometer aan toe. Het uitzendbedrijf laat het onderzoeksbureau Dimarso elk trimester bij duizend werknemers en werkzoekenden nagaan hoe ze hun kansen inschatten op het vinden van een (nieuwe of andere) job.

Randstad maakte zelf zo'n studie in de zomer van 2000. Toen vond 62 procent van de werknemers of werkzoekenden van zichzelf dat ze gemakkelijk van werk zouden kunnen veranderen, of werk zouden vinden. Toen was slechts 24 procent pessimistisch gestemd.

Bij de eerste meting door Dimarso, in juli van dit jaar, was het aantal optimisten tot 49 procent gedaald en het aantal pessimisten tot 37 procent gestegen. Het verschil met het werknemersvertrouwen van twee jaar voordien, in volle economische hoogconjunctuur, is frappant.

In oktober bleek het vertrouwen nog verder ingezakt. Slechts 41 procent schatte de arbeidsmarkt positief in. De groep pessimisten was tot 46 procent gestegen. Die verslechtering is opmerkelijk omdat de werkloosheid tussen juli en oktober nauwelijks was gestegen.

Volgens Jan Denys, manager strategisch arbeidsmarktbeleid bij Randstad -- de nummer één op de Belgische uitzendmarkt -- maken de enquêtes nog meer duidelijk: het werknemersvertrouwen ligt hoger in Vlaanderen dan in Wallonië; hoger bij bedienden en kaderleden dan bij arbeiders; lager bij ouderen dan bij jongeren; lager bij ambtenaren dan bij werknemers uit de particuliere sector.