Het moet sinds de jaren zestig geleden zijn dat het in België en in West-Europa met de economie nog zo goed ging. De ,,hazy, lazy, crazy days of summer'' lijken weer aangebroken. We beleven een periode waarop in de toekomst wellicht met nostalgie zal worden teruggekeken.

Ook voor de wereldeconomie als geheel is dit een onverhoopt voorspoedige periode. Anderhalf jaar geleden, na het Aziatische debacle, de Russische ineenstorting en het ineenklappen van een van de grootste hefboomfondsen en met een opdoemende crisis in Brazilië aan de horizon, werd de toestand nog zwartgallig ingezien. Maar plots blijken de donderwolken te zijn afgedreven.

Dat algemene beeld ziet er geografisch natuurlijk heel verschillend uit. De Verenigde Staten kennen de langste periode van zorgeloze welvaartsgroei uit hun geschiedenis: de huidige expansiegolf is meer dan negen jaar oud, en de Amerikaanse dominantie van de wereldeconomie lijkt weer even nadrukkelijk als vlak na de oorlog. Japan worstelt nog altijd om uit het moeras te geraken. Verscheidene emerging markets zijn weliswaar volop in herstel, maar likken nog hun wonden. Delen van Afrika blijven een zwart gat.

In het eurogebied blijkt op korte tijd veel te zijn veranderd. De langdurige depreciatie van de euro was een psychologische tegenvaller maar ook een opsteker voor de export. De stroom aan goed nieuws zwelt aan.

De economie versnelt tot een tempo dat we de afgelopen tien jaar niet meer hebben gezien, zonder dat de herwonnen prijsstabiliteit in het gedrang lijkt te komen. Begrotingsdeficits worden weggewerkt of zelfs omgezet in overschotten; schuldenbergen worden afgegraven. Belastingverlagingen worden doorgevoerd of in uitzicht gesteld. Het vertrouwen van de ondernemers neemt zienderogen toe; dat van de consumenten bereikt een absoluut record.

De werkgelegenheid groeit met een miljoen banen per jaar aan. De werkloosheid dook in twee jaar van boven de 11 naar beneden de 9 procent van de beroepsbevolking. De Oeso ziet haar in de komende jaren verder dalen tot beneden 8 procent.

Europa lijkt uiteindelijk bereid uit de Amerikaanse successen te leren. De top van Lissabon stond zonder valse schaamte in dat teken. De Europese Unie moet haar achterstand bij de uitbouw van de informatiemaatschappij inhalen, de ,,nieuwe economie'' volop laten wortel schieten.

Met de rigiditeit van de arbeidsmarkt, die mede voor de hoge werkloosheid verantwoordelijk werd geacht, wordt afgerekend op een wijze die niet was verwacht. De meeste nieuwe arbeidsplaatsen die sinds 1994 in de eurozone zijn gecreëerd blijken ofwel deeltijds ofwel tijdelijk te zijn. Volgens sommige prognoses kunnen die ,,flexibele'' banen over enkele jaren veertig procent van de werkgelegenheid uitmaken.

Er lijkt dus een duale arbeidsmarkt te ontstaan. Aan de ene kant zijn er de bestaande jobs, met veel van de voordelen en de bescherming waarvoor Europa bekend staat. Aan de andere kant is er een minder beschermde arbeidsmarkt, waar de meeste nieuwe banen tot stand komen. In zekere zin is Europa zijn probleem van rigiditeit dus aan het oplossen, niet door er komaf mee te maken, maar door het aandeel van de arbeidsmarkt dat gekenmerkt is door gebrek aan flexibiliteit te doen krimpen.

Hoelang moeten we in de geschiedenis teruggaan om een min of meer vergelijkbare, betrekkelijk wolkenloze periode van voorspoed te vinden? Bij het stellen van die vraag moet men natuurlijk voor ogen houden dat de reële welvaart ondanks alles vrijwel permanent is blijven stijgen.

De dichtstbije episode die voor wat België betreft voor een dergelijke vergelijking in aanmerking komt, zijn de jaren 1987-89. Ook toen was er een forse economische groei, en leek er na anderhalf decennium crisisgevoel uiteindelijk op diverse vlakken verbetering in te treden. Ook toen werden belastingverlagingen doorgevoerd, en de socialistische regeringspartijen meenden -- met andermans geld, zoals politici dat plegen te doen -- opnieuw het hart te moeten laten spreken. Maar onze grote economische problemen waren allesbehalve opgelost: inflatie, begrotingstekorten en werkloosheid bleven veel te hoog. Op de lastenverlagingen moest al snel worden teruggekomen, en voor de retour du coeur werd nog lang betaald.

De periode tussen de olieschokken van 1973 en van 1979-'80 had na een aanvankelijke aanpassing aan het nieuwe tijdperk van dure energie voorspoedig kunnen zijn, maar ging wegens een ongelukkige beleidsrespons de mist in. Op het einde ervan had België al zijn economische evenwichten verspeeld.

Men moet al teruggaan tot de vroege jaren zeventig om nog ,,goede'' jaren tegen te komen. De werkgelegenheid was hoog, de buitenlandse investeringen stroomden binnen, en de overheidsschuld bereikte in verhouding tot de omvang van de economie een dieptepunt. Maar de problemen waren zich duidelijk aan het opstapelen. Tussen 1971 en 1973 stortte het naoorlogse geldstelsel van vaste wisselkoersen ineen. De inflatie won aan kracht, en de paniek over de in uitzicht gestelde uitputting van de grondstoffen- en energievoorraden greep om zich heen.

De jaren zestig waren achteraf bekeken vrij probleemloos en werden, toen ze eenmaal voorbij waren, al vlug het voorwerp van een soort cultus. In de tweede helft ervan kwam Amerika al wel in de problemen als gevolg van de geldverslindende Vietnam-oorlog, maar in België en in West-Europa steeg de welvaart als nooit tevoren. Alle grote doelstellingen van het economisch beleid -- sterke en duurzame groei, prijsstabiliteit, hoge werkgelegenheid, buitenlands evenwicht en goede inkomensverdeling -- waren bereikt.

In 1964-'65 had België haast geen werklozen meer. Die toestand van wat sommigen overtewerkstelling noemden, bracht de overheid ertoe in Marokko en Turkije rekruteringskantoren te gaan openen om kandidaat-gastarbeiders te gaan overtuigen zich hier te komen vestigen.

Ook nu gaat het land, de nog aanzienlijke werkloosheid in vooral Wallonië ten spijt, naar tekorten op de arbeidsmarkt. Het ziet er bovendien naar uit dat de uitstroom van 55-plussers vanaf 2002 de instroom van jongeren zal overtreffen. Met de lange-termijngevolgen van de overtewerkstelling van dertig jaar geleden voor ogen, kan men zich afvragen wat de nieuwe schaarste aan arbeidskrachten teweeg zal brengen.