Vlak voordat het laatste kwart van de 20ste eeuw begon, beleefde de wereld een trendbreuk. Paniek over de energiebevoorrading, astronomisch hoge prijzen van benzine en stookolie, een inflatie-opstoot en een scherpe recessie deden beseffen dat een tijdperk afgesloten was. Premier Leo Tindemans waarschuwde dat er geen weers-, maar een klimaatsverandering voor de deur stond. Wat is in die vijfentwintig jaar met de welvaartsontwikkeling in België gebeurd?

HET bruto binnenlands product (bbp) per inwoner steeg met 60 procent (grafiek), wat neerkomt op gemiddeld 1,9 procent per jaar. Een herhaling van de kwarteeuw na de oorlog met haar welvaartsstijging van 125 procent per inwoner was het niet, maar op die wonderbaarlijke periode na was het vermoedelijk beter dan wat we ooit voordien hadden meegemaakt. En het was het drievoudige van de 20 procent inkomensstijging per inwoner waarmee het land zich in de perioden 1900-1925 en 1925-1950 had moeten tevreden stellen.

De stijging van de inkomens kan dan nog de werkelijke opvoering van de welvaart onderschatten. Gelijktijdig werd immers de arbeidsduur verder verlaagd van 1.850 tot 1.550 uren per jaar, althans voor wie een welomschreven arbeidsdag heeft (wat voor velen theorie is). Het is normaal dat de werkende bevolking bij de verdeling van de vruchten van de productiviteitsstijging deels voor meer inkomen, deels voor minder werken kiest.

De vaststelling dat de algemene welvaart nog zo beduidend toenam, zal allicht op enig scepticisme stuiten bij degenen die nagenoeg onafgebroken het gevoel hadden in crisistijd te leven en er materieel weinig of niet op vooruit te gaan. Op de oliecrisis van 1973-74 volgde inderdaad de recessie van 1975, de tweede olieschok van 1979-80 met een nieuwe spiraal van de energieprijzen, de recessie van 1981, de devaluatie van 1982 en de georganiseerde inlevering van 1982-85. Tijdens het huidige decennium volgden dan nog de recessie van 1993 en de kuur die het land zich oplegde om de Maastricht-criteria te halen.

De al bij al behoorlijke ontwikkeling van het inkomen per inwoner verhult een veel ontgoochelender evolutie van het beschikbaar inkomen na belasting en een divergerend verloop van de belangrijkste inkomenscategorieën.

De nationale loonsom steeg tussen 1976 en 1998 in lopende prijzen van 1.540 tot 4.663 miljard frank. Dit is een vermenigvuldiging met drie. Maar het inkomen uit vermogen van de gezinnen steeg in dezelfde periode meer dan tweemaal zo snel, van 238 tot 1.580 miljard frank.

Die cijfers zijn uiteraard opgeblazen door de inflatie: de reële toename valt een stuk bescheidener uit. En als men niet de bruto-inkomens maar de netto-inkomens na belasting bekijkt, stelt men vast dat het inkomen van werknemers en zelfstandigen, in reële termen en per werkende, er niet op zijn vooruitgegaan (grafiek) .

Wie aan de hand van de eigen ervaring vaststelt dat dit niet kan kloppen, moet bedenken dat uiteraard geen rekening mag worden gehouden met salarisverhogingen wegens het beklimmen van de carrièreladder, want beter betaalde ouderen worden uiteindelijk vervangen door beginnende jongeren. En het gaat vanzelfsprekend niet om individuele, maar om nationale cijfers.

Men wordt dus geconfronteerd met de opmerkelijke vaststelling dat de hele nationale inkomensstijging van de afgelopen vijfentwintig jaar werd gecollectiviseerd en herverdeeld, ondanks de krachtige liberale golf die vanaf de late jaren zeventig over de westerse landen is getrokken.

De fiscale en parafiscale druk, die in 1975 al (herberekend volgens de nieuwe methodologie) opgelopen was tot 40,7 procent van het bruto binnenlands product, werd aanvankelijk driftig verder verhoogd, in een wanhopige achtervolging op de op hol geslagen overheidsuitgaven.

Toen na 1981 de bezinning intrad, moest vele jaren lang vrijwel de totaliteit van de inkomensstijging van de bevolking worden afgeroomd om het deficit tot redelijkere afmetingen terug te brengen en uiteindelijk bijna geheel weg te werken.

Alle middelen waren goed: van de ,,evenwichtige'' jaarlijkse spaarpakketten die onvermijdelijk telkens opnieuw naar belastingverhogingen overhelden, tot de verdoken maar doeltreffende werking van de desindexering van de belastingschalen. Tussendoor was er de voorbarige en snel weer ongedaan gemaakte belastingverlaging van 1986-89. In 1998 was de totale fiscale en parafiscale druk opgelopen tot 46,6 procent van het bbp.

Ondanks alle retoriek over lastenverlaging is de ,,loonwig'' tussen bruto-loonkosten en nettolonen onder druk van de dynamiek van de sociale zekerheid en van de herverdeling spectaculair vergroot. Alles lijkt erop te wijzen dat dit proces nu werkelijk zijn limieten heeft bereikt. Maar dat dachten velen 25 jaar geleden al.