Geraakt uw illegale Poolse poetsvrouw niet ingeburgerd? Haar zwartwerk blijft wel een typisch Belgisch fenomeen. Qua belgitude kan de arbeid die we niet aangeven, wedijveren met onze frieten, onze lintbebouwing en de smurfen. Het Belgisch leger zwartwerkers is een half miljoen voltijdse krachten sterk en bijgevolg ongeveer even groot als de bijna 500.000 werklozen in de officiële statistieken. De zwartwerkende trawanten van uw poetsvrouw zijn actief in alle economische sectoren, zij het met een voorkeur voor de horeca, de bouw, het transport en de landbouw. Met een schaduweconomie goed voor bijna 20 procent van ons bruto binnenlands product -- zo'n 55 miljard euro -- bengelen we aan de staart van het Europees peloton.

Maar zo uitzonderlijk is ons Belgisch zwartcircuit ook weer niet. Europa en verre omstreken doen mee. Dat de informele economie in Europa de voorbije jaren behoorlijk goed heeft geboerd, bewijst de toename van het belang van het Duitse zwarte circuit van 5 tot 10 procent van het bruto binnenlands product in 2001 tot naar schatting 16 procent vandaag, goed voor een jaarlijkse omzet van maar liefst 370 miljard euro. Griekenland en Italië, waar de informele economie dubbel zo groot zou zijn als in het gemiddelde industrieland, scoren nog hoger.

De geroutineerde kampioenen van het zwarte arbeidscircuit zijn ongetwijfeld de Russen. In het hartland van het voormalige sovjetrijk heerst sinds de overgang naar een vrije markteconomie nog steeds een algemene schaarste aan spelregels. Die toestand is historisch zo gegroeid: informele overeenkomsten op de arbeidsmarkt wegen er zwaarder dan formele contracten. Snij het zwarte stuk eruit en de hele Russische arbeidsmarkt stort als een kaartenhuisje in elkaar.

In de Verenigde Staten geeft de zwarte economie eveneens haar sputterende witte tegenhanger het nakijken. In zijn boek Reefer Madness: Sex, Drugs and Cheap Labour in the American Black Market beschrijft Eric Schlosser de spectaculaire bloei van de informele economie als een krachtigere uitgave van de opleving van het parallelle circuit in de nadagen van de Drooglegging in de jaren dertig. In het hoofdstuk The Strawberry Fields lezen we dat in de States meer dan een miljoen illegale landarbeiders werken.

Schlosser hekelt de hypocrisie van de vrije Amerikaanse samenleving: de publieke afwijzing van zwartarbeid, pornografie en drugsgebruik staat in schril contrast met de steeds snellere groei van diezelfde sectoren en de gulzige consumptie van wat ze voortbrengen.

Overigens reageert de overheid enkel als een zwartwerker de staat uitdrukkelijk voor de voeten loopt. Dat de eigen burgers illegalen uitbuiten, weigeren om ze een fatsoenlijk loon te geven en daarbovenop geen belastingen op die goedkope arbeid betalen, daar heeft de Amerikaanse overheid geen probleem mee. Om de zo geroemde Amerikaanse moraliteit en waarden in de praktijk om te zetten, wil dezelfde overheid blijkbaar geen dollar teveel uitgeven.

Zwartwerk heeft zo zijn voordelen, stelt Schlosser. Illegale Mexicaanse grensarbeiders verdwijnen de facto uit de vaderlandse werkloosheidscijfers: ze kosten de Amerikaanse staat niets aan pensioenen, onderwijs of gezondheidszorg en werkgevers kunnen ze clean en contant betalen. Voor het doorsnee Amerikaanse gezin realiseren de buitenlandse dagloners een besparing van grofweg 50 dollar per jaar.

Bij ons loopt het blijkbaar nog niet zo'n vaart. Of toch? Als zwartwerker Marcel met zijn schilder- en decoratiewerken tot 3.000 euro per maand vangt, bovenop zijn stempelgeld, heeft-ie binnen de tien jaar een mooi huis bijeen gespaard. En dat weegt blijkbaar niet op tegen extra vakantiegeld, pensioen of goedbetaalde overuren.

Anderzijds worden steeds meer arbeiders in de schijnzelfstandigheid geduwd. Als u vandaag een badkamer of keuken bestelt, krijgt u meteen een lijst van loodgieters waaruit u kunt kiezen voor de installatie en -- heel belangrijk -- waarmee u kunt onderhandelen over het gedeelte dat u zwart betaalt. Vaak gaat het om vroegere personeelsleden van dezelfde firma die nu de last en risico's van de werkgever moeten dragen. Als klant bent u evenmin onschuldig: als naar schatting 80 procent van de bouw- en verbouwingswerken voor een stuk in het zwart gebeuren, worden steeds meer mensen de illegaliteit ingetrokken.

En dan hebben we het nog niet gehad over het feit dat hoe langer hoe meer Oost-Europeanen met een toeristenvisum hier volledig illegaal werken. Met dank aan het circuit van de mensenhandel dat de weerloze arbeiders uitbuit en misbruikt. Als de vreemdelingenpolitie controle uitvoert, zet ze enkel die harde werkers over de grens. Maar de mensenhandelaars blijven buiten schot.

Ondertussen heeft Duitsland met Polen een akkoord gesloten dat Poolse werknemers in Duitsland kunnen werken aan Poolse loon- en arbeidsvoorwaarden. Bijgevolg duiken die Poolse werknemers ook in België op via Duitse bedrijven, in het kader van het vrij verkeer van werknemers binnen Europa. Oneerlijke concurrentie? Ja! Maar dan wel iets menselijker dan de situatie van andere Oost-Europeanen die hier werken voor een fractie van het minimumloon, zoals Roemenen die in eigen land maar een of twee tienden kunnen verdienen van het Belgische loon.

Geen wonder dat dit informeel probleem ook een informeel antwoord krijgt. In Nederland bestaat bijvoorbeeld het bureau Zwart?Werk uit Amsterdam dat de belangen van werknemers binnen de informele economische sector behartigt en bemiddelt met het oog op betaald zwartwerk. Daarmee hekelt het bureau het beleid dat vluchtelingen de mogelijkheid ontzegt om een zelfstandig inkomen te verwerven. De initiatiefnemers claimen dat ze daarmee evengoed de economie vooruithelpen die met een tekort aan arbeidskrachten kampt.

Tja, overheid, wat doet u hieraan? Uitgestelde belastingaftrekken propageren is dweilen met de kraan open en staat gelijk met een oplossing die om extra Poolse werkvrouwen schreeuwt.

  • Deze rubriek verschijnt om de twee weken op woensdag. De auteurs zijn trend- en mediawatchers van het advies- en onderzoeksbureau Bekx&X.
  • E-mail: info@bekx-x.be