Stefaan Michielsen
© MH
Het precieze onderscheid tussen sovchozen en kolchozen is me nooit helemaal duidelijk geweest. Het waren beide een soort grootschalige landbouwbedrijven die een cruciale rol speelden in de centraal geleide economie -- kortweg planeconomie -- die in de voormalige Sovjet-Unie beoefend werd.

Met de val van de Berlijnse Muur, de desintegratie van het Oostblok en de teloorgang van het communisme is ook de planeconomie in het verdomhoekje terechtgekomen. Vandaag heerst de vrijemarkteconomie, onbetwist, tot in alle uithoeken van de wereld. Het is de triomf van de mondialisering en globalisering. Die heeft ook haar schaduwzijden. Maar de vrijemarkteconomie heeft geen challenger meer. De planeconomie is dood en begraven.

Zo lijkt het toch. Maar schijn bedriegt. De planeconomie is bezig aan een opmerkelijke comeback. Ze is wel ondergronds gegaan, ze heeft haar actieterrein verlegd van macro-economisch naar micro-economisch niveau. Van daar uit voert ze een hardnekkige guerrilla. In de vrijemarkteconomie ligt het zwaartepunt niet langer bij de politici, de overheid, maar bij de ondernemingen, luidt het. Maar binnen de ondernemingen regeert de planeconomie.

De bedrijven die het boekjaar aanvatten zonder precies omschreven financiële doelstellingen, zijn een uitzondering geworden. Het jaarplan bepaalt de koers die de managers moeten varen. Op voorhand ligt vast welke omzet de onderneming gaat realiseren en met welke winst ze het boekjaar zal afsluiten. Jaardoelstellingen worden vertaald in maandelijkse, zelfs wekelijkse financiële doelstellingen en in persoonlijke doelstellingen voor elke medewerker. Management by objectives heet dat. Een continue en gedetailleerde rapportering, mogelijk gemaakt door dure en complexe informaticaprogramma's, maakt het mogelijk de uitvoering van het plan nauwgezet te volgen en in te grijpen wanneer de zaken niet lopen zoals was vooropgesteld. Want het plan moet worden gerespecteerd! En zijn er nog weinig regeringen die hun economisch beleid durven vastleggen in een drie- of vijfjarenplan, uit schrik scheef te worden bekeken, in de ondernemingswereld wordt die praktijk wel druk gebezigd.

Dat de planeconomie zo populair is in ondernemerskringen, bewijst dat het systeem ongetwijfeld heel wat voordelen heeft als instrument voor de toewijzing van schaarse goederen. Ik kan daar van meespreken.

Neem het voorbeeld van de vakanties. Ik heb, als werknemer, een beperkt aantal vakantiedagen. Mijn echtgenote eveneens. Samengeteld komen we aan ongeveer zestig dagen. Dat is niet genoeg om de krokusvakantie, de paasvakantie, de grote vakantie, herfstvakantie, kerstvakantie en andere vrije schooldagen te overbruggen, zeker niet als je graag ook een paar weken wil uittrekken voor een gezinsvakantie. Aangezien je je kinderen toch moeilijk aan hun lot kan overlaten, moet er worden gepuzzeld. Grootouders moeten worden ingeschakeld, de hulp van ooms en tantes wordt ingeroepen en om alle gaten te dichten zijn er nog de jeugd-, sport- en taalkampen. Om maar te zeggen: zonder een zorgvuldige planning kom je er niet uit. Tenzij een van de twee ouders in het onderwijs staat.

Maar zelfs zo'n nauwgezette planning kan door onverwachte gebeurtenissen in de war worden gestuurd. Bijvoorbeeld wanneer de scholen tot een tweedaagse staking beslissen. Dan moet er op gezinsniveau crisisberaad worden gehouden: wie heeft er nog vakantiedagen op overschot? Als er geen buffer is ingebouwd, valt meteen ook de hele jaarplanning in duigen.

Dat is precies een van de zwakke punten van de planeconomie. Maar ik weet niet of de vrijemarkteconomie wél een bevredigende oplossing biedt voor dit probleem. Eigenlijk is er maar uitweg: je moet je plan trekken.

Je wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld je aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig