BRUSSEL -- We kunnen niet uitsluiten dat de toekomst van de pensioenen somber zal zijn en dat de armoedegraad bij de ouderen zal stijgen, zo luidt de voorzichtige conclusie van een interuniversitair onderzoeksproject naar de doelmatigheid, de billijkheid en de politieke haalbaarheid van de sociale bescherming voor bejaarden. Maar de experts zitten met hun analyses en aanbevelingen nog lang niet op één lijn.

Een twintigtal onderzoekers van vijf Belgische universiteiten heeft rond de pensioenproblematiek vijf jaar lang samengewerkt. Hun opdracht bestond erin methoden te leveren die de politieke besluitvorming op het gebied van de pensioenen en van de transfers tussen generaties in het algemeen kunnen vergemakkelijken. Het was niet de bedoeling aan de overheid een concreet actieplan voor te schrijven.

Hun teksten zijn gebundeld in een zopas gepubliceerd boek, ,,De toekomst van onze pensioenen'' en vormden de basis voor een studiedag van het Belgisch Instituut voor Openbare Financiën.

De grote vraag is volgens hen hoe men hervormingen zal doorvoeren terwijl de meerderheid van de bevolking tevreden blijkt met de status-quo en bereid is te strijden voor haar verworven rechten. Het is, zoals Erik Schokkaert (Leuven) en Pierre Pestieau (Luik) in het afsluitende hoofdstuk schrijven, een spel waarin niet iedereen met gelijke wapens strijdt: ,,Dat de ambtenaren de pogingen om de perekwatie uit te stellen hebben verijdeld en dat bejaarde vrouwen een soms zeer miserabel pensioen trekken, heeft alles te maken met het feit dat de eerste groep een geduchte lobby vormt en de tweede groep totaal geen politiek gewicht heeft.''

De mate waarin de demografische gegevens veranderd zijn, is verbijsterend. Een eeuw geleden bereikte één Belg op tien de gezegende leeftijd van vijfenzestig jaar; nu negen op tien. Bovendien is de feitelijke leeftijd waarop men met pensioen gaat, fors gedaald. Tussen 1960 en 1995 liep het gemiddelde aantal ,,gepensioneerde'' jaren voor mannen op van 3 tot 17 en voor vrouwen van 13 tot 27. En de grote vergrijzingsschok moet nog komen.

Dat de actieven hun toekomstig pensioen doorgaans overschatten, weten we uit de vorige week gepubliceerde KBC-enquête, die de woede van de minister van Begroting, Johan Vande Lanotte, opwekte. Een onderzoek van de Leuvense universiteit bij werknemers uit de particuliere sector in Vlaanderen, waarover Erik Schokkaert verslag uitbracht, wijst uit dat vier op de tien in de tweede noch in de derde pensioenpijler participeren en volledig van het wettelijke pensioen zullen afhangen. De lage inkomens zijn in die groep oververtegenwoordigd.

Zowel voor degenen met een laag als met een hoog inkomen ligt het wettelijke pensioen dat ze mogen verwachten lager dan wat ze menen nodig te hebben. Doordat mensen met een hoger inkomen vaak ook in aanvullende pensioenstelsels participeren, zullen zij evenwel na hun actieve periode in een comfortabele inkomenspositie blijven zitten.

Het onderzoek bevestigt hoe bitter het verzet tegen een verhoging van de pensioenleeftijd zal zijn. De meerderheid vindt dat de ideale leeftijd om ermee op te houden rond de 57 jaar ligt -- net de leeftijd waarop de meesten het vandaag voor bekeken houden. Vier Vlamingen op vijf belijden hun bereidheid om desnoods hogere bijdragen te betalen, als ze maar niet langer moeten gaan werken. Er is, als het moet, ook bereidheid tot inlevering op de hoogte van het pensioenbedrag, maar met meer dan tien procent wil men het toch niet zien dalen.

Dat de situatie van de ouderen in onze samenleving beduidend verbeterd is, schrijft Herman Deleeck (Antwerps Centrum voor Sociaal Beleid, voormalig CVP-senator) in grote mate toe aan het overstappen van een kapitalisatie- naar een repartitie- of omslagsysteem, waarbij de actieven van vandaag de pensioenen van vandaag betalen. 7,7 procent van de bevolking valt nog als arm te beschouwen; bij degenen die uitsluitend van een pensioen moeten leven, bedraagt dit percentage 13 procent. Die groep inbegrepen, leeft een kwart van de ouderen op de rand van de bestaansonzekerheid.

Vaak wordt afgunstig naar Nederland gekeken, met zijn sterk uitgebouwde pensioenfondsen, maar in België is het sterk verbreide bezit van een eigen woning een belangrijk element van welvaart, en van de bescherming ervan. Het wettelijke pensioenstelsel, met een hoog niveau van uitkeringen en met repartitie, is in Deleecks ogen de enige waarborg voor het grootste aantal.

In andere analyses klinkt de ondertoon van ongerustheid luider. Het meest onomwonden spreekt Pierre Pestieau zich uit: we beleven vandaag het gouden tijdperk van de pensioenen, maar op lange termijn zijn de huidige pensioensystemen gewoonweg onhoudbaar.

In elk geval moet de gemiddelde pensioenleeftijd worden opgetrokken. Elk hervormingsvoorstel moet dus de financiële stimulansen aanpakken die de vijftigers voor vervroegd uitstappen doen kiezen. Iemand van tegen de zestig die voor een voortzetting van zijn beroepsloopbaan kiest, ondergaat daarop een impliciete belasting (namelijk de belasting op het inkomen uit arbeid plus het gederfde vervangingsinkomen dat men kon krijgen) die hoger ligt dan in welk ander industrieland ook.

Louis Gevers (Namen/Louvain) en Grégory de Walque (Namen) menen dat de toekomstige generaties bedreigd worden door (1) relatieve armoede van een groot aantal gepensioneerden; (2) onvoldoende dekking van collectieve behoeften, voornamelijk onderwijs en infrastructuur, en (3) overdreven fiscale en parafiscale druk.

Zij vinden het belangrijk een op zijn minst even voorzichtige houding aan te nemen tegenover de toekomstige generaties als tegenover onze eigen generatie. Ze vrezen echter dat de toekomstige jeugd nog minder goed zal worden behandeld dan die van vandaag, ,,tenzij een plotse toename van de burgerzin aan de politieke verantwoordelijken de macht geeft om meer solidariteit met de jongeren te tonen, en dat niet alleen maar met woorden''.

  • Pierre Pestieau e.a.: De toekomst van onze pensioenen. Garant, Leuven, 191 blz.