Vijf jaar. Wie minder tijd heeft, blijft beter weg op de aandelenmarkt. Twee jaar is gewoon niet ernstig als je met een minimum aan risico probeert wat geld te verdienen op de beurs. Toch is dat de termijn waar de overheid de optiebezitter naartoe manoeuvreert. Niet ernstig, inderdaad. Toch als je meteen belastingen moet betalen op een belegging die je hooguit vijf, en in veel gevallen zelfs maar twee jaar de tijd geeft om winst te boeken op aandelen.

Het heeft veel weg van psychische marteling. Je krijgt einde 1999 een pakketje opties, de koers van de onderliggende aandelen stijgt nog zowat 15 procent, en begint dan snel te dalen. Maar je staat erbij en kijkt ernaar, want je hebt beloofd de opties niet uit te oefenen voor het einde van het derde kalenderjaar na dat waarin de opties werden toegekend. In ruil wordt de waarde van de optie gehalveerd, en betaal je dus maar half zoveel belastingen op het voordeel.

In de wet van 26 maart 1999 lijkt het maar een bijkomende mogelijkheid voor optiebezitters, maar in de praktijk blijkt het overgrote deel van de betrokkenen in 1999 en 2000 gekozen te hebben voor de formule waarbij de belastbare waarde van de optie gehalveerd wordt als aan een aantal voorwaarden is voldaan.

Daarvoor moet de prijs waartegen de optie kan worden uitgeoefend, definitief vastliggen op het ogenblik dat het aanbod wordt gedaan. Ze mag niet overdraagbaar zijn. Het risico van waardevermindering mag niet op een of andere manier gedekt zijn (bijvoorbeeld door een putoptie). Het moet gaan om opties op aandelen van het bedrijf van de rechtstreekse werkgever of van het moederbedrijf. En de optie mag niet kunnen worden uitgeoefend voor het einde van het derde kalenderjaar na het toekennen ervan en moet uiterlijk op het einde van het tiende jaar vervallen.

Maar in de meeste gevallen heeft de optie maar een looptijd van vijf jaar. Wie einde 1999 opties aanvaardde, en er maar de helft van de normale belastingen op betaalde, moet ze dus nog behouden tot einde dit jaar. Dan blijft nog twee jaar over om het geleden verlies weer goed te maken.

Dat is virtueel onmogelijk. Daarom stelde de minister van Financiën, Didier Reynders, voor om de uitoefeningstermijn voor alle bestaande opties te verlengen met twee tot vier jaar. Normaal, zo merkt het vakblad Fiscoloog op, is zo'n a posteriori aanpassing van de optievoorwaarden wettelijk eigenlijk een nieuwe toekenning waarop bijgevolg opnieuw belastingen moeten worden geheven. Maar daar zou een mouw aan worden gepast.

Toch is het maar de vraag of een eenvoudige verlenging van de uitoefentermijn echt een oplossing biedt. Een langere uitoefenperiode verhoogt uiteraard de kans op rendement. Twee jaar extra looptijd voor iemand die al drie jaar Microsoft-aandelen in handen heeft, halveert het noodzakelijke rendement tot bijna 19 procent in plaats van bijna 40 procent. Vier jaar extra doet het vereiste rendement dalen tot ruim 12 procent per jaar.

De kans is effectief groter, hoewel 12 procent een heel behoorlijk rendement blijft, zeker als je het vier jaar na elkaar moet halen.

Maar een wettelijke verlenging van de uitoefenperiode leidt bovendien niet noodzakelijk tot een effectieve verlenging. In veel gevallen is daarvoor ook binnen het bedrijf een aanpassing nodig van de optieregels. De raad van bestuur of de aandeelhouders moeten ermee instemmen.

Bij multinationale ondernemingen, met werknemers over de hele wereld, is dat niet zo evident. Vaak gelden in alle landen dezelfde regels. Een uitzondering maken voor België kan dan al snel aanleiding geven tot jaloezie of misverstanden.

Bovendien is er een technisch probleem als de opties toegekend werden onder de vorm van warrants. Die mogelijkheid is voorzien in artikel 496 van het Wetboek van Vennootschappen. Zulke warrants hebben een maximale looptijd van tien jaar. Die kan niet zomaar zonder meer worden aangepast. Maar anderzijds is de nood bij warrants met zo een lange looptijd in de meeste gevallen niet even groot.

Fiscoloog vraagt zich hardop af of niet beter gezocht wordt -- eventueel door een verdere aanpassing van de wet van 26 maart 1999 -- naar alternatieven die dit soort problemen kunnen voorkomen, zodat achteraf geen correcties meer nodig zijn.

In haar sociaal-economische prioriteitennota die ze einde januari publiceerde, stelt de regering voor de begunstigde van een optie de keuze te geven tussen meteen belast worden, of pas bij de uitoefening ervan. Maar de jongste maanden is daar geen sprake meer van.

Het systeem wordt in Nederland nochtans al anderhalf jaar toegepast. Ook daar bestaat al jaren een regeling waarbij het voordeel ,,in principe'' belast wordt bij de toekenning. De keuzemogelijkheid werd midden vorig jaar ingevoerd.

Bij het toekennen van de optie moet de werknemer een definitieve keuze maken. Het voordeel van betalen bij toekenning is dat dan ,,maar'' belasting wordt betaald op 15 procent van de waarde van het aandeel. Bij de uitoefening wordt men belast op het volledige verschil tussen de uitoefenprijs en de effectieve waarde op de markt.

Anderzijds loopt iemand die kiest voor een belasting bij uitoefening uiteraard geen risico dat hij of zij voor niets belastingen heeft betaald.

Hoewel de belasting bij uitoefening van de optie dus veel hoger kan uitvallen, sluit het systeem veel meer aan bij wat gangbaar is in het buitenland, en wat voor de meerderheid van de werknemers in multinationals geldt. De Verenigde Staten en de meeste grote Europese landen passen het toe. Het nadeel van de hogere belasting wordt er wel getemperd door de aanzienlijk lagere tarieven van de personenbelasting.

Een klassiek bezwaar tegen de keuzemogelijkheid is dat ze strijdig zou zijn met de basisfilosofie van de wet van 26 maart 1999. Die zegt dat gratis of tegen verminderde prijs toegekende opties een voordeel in natura zijn en zo'n voordeel moet steeds worden belast bij de toekenning ervan.

Maar niets belet de overheid om toch zo'n keuzemogelijkheid te voorzien. Om het probleem van de basisfilosofie te omzeilen, zou een soort ,,optionele fiscale fictie'' kunnen worden ingevoerd. Daarbij worden opties een soort fiscale fictie die pas realiteit wordt bij de uitoefening ervan.

Het tweede bezwaar is dat daardoor de weg vrijgemaakt zou worden voor het belasten van meerwaarden op aandelen van particulieren. Maar ook dat argument overtuigt volgens Fiscoloog niet.

,,Er is immers geen enkel logisch verband tussen een meerwaardebelasting bij de verkoop van aandelen en de belasting die zou moeten worden betaald bij de goedkope aankoop van aandelen in het kader van een aandelenoptie.''

De belasting op opties heeft enkel betrekking op het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit de goedkope aankoopmogelijkheid, niet op de meerwaarde die bij de eventuele wederverkoop van de aandelen kan worden gerealiseerd. Ook iemand die zijn -- goedkoper aangeschafte -- aandelen behoudt, en dus geen winst neemt, betaalt de belasting op die optie(s).

Dus dan toch maar beter kiezen voor de keuzemogelijkheid? Behalve dan voor wie al betaald heeft. Daar biedt alleen de langere looptijd nog een kansje op succes.