BRUSSEL -- Hoewel de overheersende stemming in de Europese marktenzalen nog altijd bijzonder somber is, slaagde de beurs er deze week opnieuw in om flink hoger te spurten. Het beursherstel is nog altijd niet verankerd in een overtuigend economisch herstel, maar er zijn hier en daar wel wat lichtpuntjes.

Als je de aandelenreturns vanaf het begin van deze maand bekijkt, lijkt het wel alsof we ons weer in de gouden dagen van de pre-Nasdaq-crash bevinden. De telecom- en technologieaandelen gingen er met twaalf procent op vooruit, en stegen de voorbije vier beursweken zelfs met zo'n twintig procent. Ook verzekeraars, banken en media-aandelen zaten de jongste weken in de lift. Kortom, zo'n beetje alle sectoren die eerder dit jaar in het verdomhoekje zaten.

De verleiding is daardoor groot om het beursfeestje van de voorbije week af te doen als een ,,technische correctie'': speculanten die hier en daar wat aandelen oppikken die in hun ogen te veel gezakt waren.

Maar er valt wel iets te zeggen voor die ,,speculatieve'' redenering. De meest recente bedrijfsresultaten -- het Amerikaanse Hewlett-Packard was deze week het bekendste voorbeeld -- tonen aan dat heel wat bedrijven hun winstdaling konden inperken met de hulp van kostenbesparingen. Als je dan ook nog rekening houdt met een -- zelfs gematigd -- herstel van de economie en de bedrijfswinsten in het komende halfjaar, dan zijn er voldoende aandelen te vinden die aantrekkelijk geprijsd zijn.

De vraag is alleen of er economisch inderdaad beterschap in zicht is. Het plaatje is eigenlijk weinig veranderd in vergelijking met de vorige weken en maanden. Zowel in de Verenigde Staten als in Europa zitten de industriële activiteit en de investeringen in het slop, maar blijft de groei nog in de positieve zone dankzij de private consumptie. De balans kan dus nog in beide richtingen doorslaan.

Zoals altijd wordt in de eerste plaats naar de Verenigde Staten gekeken om de toekomst voor de rest van de wereld in te schatten. En het minste dat je kan zeggen, is toch dat de toestand er daar beter uitziet dan je enkele maanden geleden had kunnen vrezen. De ontspanning van de olieprijs, het beginnende herstel van de bedrijfswinsten en de stabilisering van de beurskoersen zijn factoren die het vertrouwen van ondernemingen en gezinnen zouden moeten ondersteunen. Ook de Amerikaanse vastgoedmarkt blijft bijzonder bloeiend -- zelfs tot op het punt dat sommige analisten er een nieuwe zeepbel ontwaren.

Het is nu nog wachten op signalen dat ook het Amerikaanse bedrijfsleven een tweede adem vindt en weer durft te investeren in nieuwe projecten. Deze week werd bijvoorbeeld bekend dat de industriële activiteit aan de belangrijke Amerikaanse oostkust de voorbije maand sterk is opgeveerd. Tegelijk is het aantal aanvragen voor een werkloosheidsuitkering de voorbije week onverwacht sterk gedaald. Het zijn kleine lichtpuntjes, maar op de beurs kunnen ze het verschil betekenen tussen een verder herstel of het opnieuw ,,uittesten'' van de bodem.

Aan deze kant van de Oceaan lijken we intussen weer verzeild in de vlaag van ,,europessimisme'' die ook in de eerste helft van de jaren negentig alomtegenwoordig was. Maar is dat wel terecht? Dat de Europese statistieken er zo slecht uitzien, heeft vooral te maken met de toestand in Duitsland -- tien jaar geleden nog de toonaangevende natie, vandaag de ,,zieke man van Europa''. Onze oosterburen kampen nagenoeg met een nulgroei en dreigen volgens sommige analisten te belanden in een Japans deflatiescenario. Maar we mogen niet vergeten dat de rest van de eurozone er voorlopig wel beter voor staat.

Als Europa een probleem heeft, dan is het misschien net die economische divergentie tussen de verschillende lidstaten. Tegenover de bijna-deflatie in Duitsland staan bijvoorbeeld inflatiecijfers van meer dan vier procent in landen als Spanje en Ierland. De ,,gemiddelde'' euro-inflatie ligt daardoor nog altijd boven twee procent, het niveau dat de Europese Centrale Bank (ECB) als toegelaten maximum beschouwt.

Het gevolg is dat de ECB hardnekkig blijft weigeren om de renteverlaging door te voeren waar economisten en politici al maanden om vragen. Het onbegrip voor de bank is huizenhoog, en niet alleen in kringen van bankiers of beleggers. Ook de KUL-professor en VLD-senator Paul De Grauwe, die eerder dit jaar nog kandidaat-vice-voorzitter van de ECB was, begrijpt het niet meer. ,,De inflatie staat op het laagste punt in een decennium en nog altijd maken ze zich zorgen. Waar leven ze eigenlijk, op Mars?'', verklaarde hij deze week in een gesprek met Reuters.