De beurs, wordt wel eens gezegd, is het voorbeeld van een perfect werkende markt. Vraag en aanbod vinden er elkaar bij een evenwichtsprijs. Ik heb echter de stellige indruk dat de aandelenkoersen niet naar een evenwichtspunt neigen. Op de beurs zijn integendeel sterke evenwichtsvliedende krachten aan het werk, stel ik vast.

Een economische wet zegt dat de vraag naar een product stijgt als de prijs daalt, en dat de vraag daalt als de prijs stijgt. Op de beurs gebeurt het omgekeerde. Als een aandelenkoers zakt, wil iedereen zijn stukken kwijt. Waardoor de koers uiteraard nog verder zakt. Klimt de aandelenkoers, dan wil iedereen opeens weer aandelen hebben. Waardoor de koers verder klimt.

Omhoog of omlaag. Een stabiele aandelenkoers is geen doelstelling. Een aandeel waarvan de koers niet beweegt, is te mijden. Want daar is iets mis mee. Als er op de beurs al een evenwicht is, is dat in het beste geval labiel. Er mag niks gebeuren, of het status-quo wordt doorbroken en de koersen schieten weer omhoog. Of omlaag. Vooral omlaag, de jongste maanden. Down, down, deeper and down.

De beleggers vluchten weg van de risicovolle aandelen. Waar naartoe? Naar saaie, maar veilige en vastrentende obligaties? Een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen. Maar sommige beleggers wel. Want het is precies op de obligatiemarkt dat de zeepbellenblazers een nieuwe uitdaging hebben gevonden. De obligatiemarkten werken volgens een eenvoudig principe: als de rente daalt, stijgen de obligatiekoersen. En omgekeerd. Op dit ogenblik is de rente historisch laag. Een ietsepietsje kan er binnenkort misschien nog af. Maar vroeg of laat zal de rente weer klimmen. En wat gebeurt er dan? Dan klappen de obligatiekoersen in elkaar. En spat de zeepbel uiteen.

Waar moet een belegger dan heen? Waar kan een hardwerkende mens naartoe met zijn zuurverdiende centjes? Naar het goeie ouwe spaarboekje uiteraard! Je kan natuurlijk je neus ophalen voor de armzalige rente die een spaarboekje opbrengt. Twee procent. Vier procent in het beste geval, als je uitkijkt naar speciale promotieacties. Het lijkt inderdaad niet geweldig. Maar wie het kleine niet eert.... Vier procent is overigens lang niet mis. Heeft u in de Fondsenkrant van maandag de returns gezien van de beleggingsfondsen? Kommer en kwel. Geloof me, beter één spaarboekje dan tien beleggingsfondsen.

Ik ben niet de enige die zo denkt. In de eerste negen maanden van dit jaar plaatsten de Belgen bijna drie miljard euro extra op hun spaarboekjes. Die uitbarsting van spaarwoede is niet onopgemerkt gebleven. Ze deed zelfs buitenlandse banken naar België afzakken om al dat geld hier te helpen oprapen. Zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Rabobank.

Je vraagt je af waarom een bank als Rabo in België spaargeld komt inzamelen. Waar heeft het dat nou voor nodig? Het antwoord is simpel: om het in eigen land uit te delen. Rabobank heeft deze week bekendgemaakt dat het het aantal geldverdeelpunten in Nederland gaat uitbreiden van 2.400 naar 4.000. Dat betekent dat er een boel geld moet klaarliggen. Maar blijkbaar is de legendarische spaarzaamheid van de Nederlanders niet meer je dat. Daarom moet het geld worden ingevoerd. Uit België. Binnenkort kunnen onze noorderburen dus uw en mijn spaarcenten uit hun muur halen.

Moeten wij nu vlug onze spaarboekjes gaan leeghalen? Redden wat er nog te redden valt? Dat lijkt me niet echt nodig. We kunnen er wel op vertrouwen, denk ik, dat het geld later keurig wordt terugbetaald. Mét een zuinige rente. Wij zijn toch op de wereld om mekaar, om mekaar, te helpen, nietwaar?