Heeft een loonnorm nog zin als hij toch wordt overschreden, zoals de afgelopen jaren is gebeurd? Is er ruimte voor loonstijgingen en kunnen zij een bijdrage leveren om het stagnatiegevaar tegen te gaan?

Lonen reageren vooralsnog nauwelijks op de verslechterde economische toestand van de afgelopen twee jaar. In landen zoals Duitsland en Nederland, maar ook in België, zijn zelfs tekenen van loonmatigingsmoeheid aanwezig.

Bovendien hebben loononderhandelaars hun inflatieverwachtingen veeleer opwaarts bijgestuurd omdat binnen de Europese Unie de inflatie nog altijd boven de 2 procent-norm van de ECB ligt. In Frankrijk blijkt de loonmatiging stand te houden, maar de uurloonkosten zijn daar wel relatief hoog als gevolg van de scherpe daling in de arbeidsduur. In Italië en Spanje heeft de hogere inflatie onmiddellijk geleid tot hogere lonen. Het resultaat is dat de arbeidskosten per eenheid product in de eurozone met 3,4 procent zijn gestegen tijdens het eerste kwartaal.

Bovendien stellen we vast dat de sterk gecentraliseerde collectieve loononderhandelingssystemen in onder meer Duitsland, Italië en Spanje door de Europese Commissie worden bestempeld als onaangepast. Zij hebben geleid tot grote verschillen in regionale werkloosheidscijfers en lonen die niet in overeenstemming zijn met de lokale arbeidsvoorwaarden. In deze drie landen is nog geen nieuwe aanpak merkbaar omdat de regering niet durft, of omdat de vakbonden vrezen voor het verlies van hun onderhandelingsmacht.

In het jongste Oeso-verslag over België wordt ook gepleit voor een differentiëring van de lonen naargelang de gewesten. De Oeso stelt zelfs voor om de loononderhandelingen niet nationaal of sectoraal, maar op het niveau van de individuele ondernemingen te laten plaatsvinden om beter rekening te houden met de lokale arbeidsmarkt. De loonnorm wordt in vraag gesteld. Zo ook de loonindexering. In haar jongste economische vooruitzichten stelt de Oeso ook dat er geen ruimte is voor enige loonstijging.

Daarnaast maken de tegenvallende conjunctuurontwikkeling, de terughoudendheid van de ECB om haar monetair beleid verder te versoepelen, de oplopende werkloosheid, het forse terreinverlies van ons land op de wereldranglijst qua concurrentiekracht (van 19 naar 25), de zeer krappe manoeuvreerruimte op de federale en gewestbegrotingen en de naderende parlementsverkiezingen dat de sociale partners in ons land hypernerveus zijn in hun zoektocht naar een voor iedereen aanvaardbare loonsverhoging voor de komende twee jaar.

Het door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven voorbereide technische document is een concretisering van wat de wet van 1996 voorschrijft. Als er in de voorbije jaren een overschrijding van de loonnorm is geweest -- en niemand betwist dat -- dan dringt een compensatie zich op. Misschien is het denkbaar om de compensatie uit te smeren over een langere periode in plaats van ze onmiddellijk te realiseren.

Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn om de compensatie niet toe te passen, maar wel onmiddellijk een alternatief economisch groeiscenario in rekening te nemen. De zwakpresterende Duitse economie kan niet rekenen op stimuli van de nieuwe regering gezien het al zeer hoge begrotingstekort. De Belgische economie zal hierdoor worden afgeremd. Een derde opeenvolgende jaar van lage groei zou het stagnatiegevaar flink kunnen vergroten.

Kan of moet dit opgevangen worden door een loonstijging? Omdat de werkloosheid veeleer toeneemt, lijkt dat niet zo evident. Daarenboven is er de Europese doelstelling om een werkgelegenheidsgraad van 67 procent te bereiken in 2005 tegenover nu zowat 64 procent (62,2 procent in België). Hogere lonen zouden wel eens een handicap kunnen zijn.

De stelling dat de nakende verlaging van de personenbelasting een compensatie kan zijn voor hogere lonen, is moeilijk verdedigbaar gezien de al in het vooruitzicht gestelde lastenverhogingen door onder meer de lokale besturen.

Komen de sociale partners niet tot een akkoord, dan moet de regering de knoop ontwarren. Een strikte toepassing van de wet van 1996 is dan vrijwel uitgesloten, maar ook het volledig negeren ervan. Misschien kan een overbruggingsvoorstel worden uitgewerkt voor een jaar, dat gekoppeld zou kunnen worden aan de oprichting van een werkgroep die een nieuw loononderhandelingskader zou moeten uitwerken tegen uiterlijk midden 2003. Hierbij zou dan rekening kunnen worden gehouden met de aanbevelingen van de Oeso en de Europese Commissie en zou een bijsturing van de wet van 1996 kunnen worden voorbereid.

  • Op zaterdag legt de redactie een actueel thema voor aan een ,,denktank'' van financieel-economische specialisten. Deze week antwoordt Frank Lierman, hoofdeconoom van de Dexia Bank.