De traditionele actiegroepen hebben heel wat macht verworven, maar de complexiteit van de grote thema's speelt hen parten. Tot overmaat van ramp legt een nieuwe generatie radicale activisten hen het vuur aan de schenen, schrijft Vanessa Houlder .

Activisten worden al lang niet meer afgedaan als idealisten op geitenwollen sokken. Ze hebben steeds meer invloed op het beleid als het gaat over wereldhandel, genetisch gemanipuleerd voedsel, multilaterale investeringen en de opwarming van de planeet.

Actiegroepen zijn niet meer uit het politieke en economische leven weg te denken. Ze stromen toe in Praag voor de jaarlijkse vergadering van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Eerder deze maand verstoorden militante tegenstanders van de mondialisering het Forum voor Wereldeconomie in Melbourne. De brandstofonlusten in Europa zijn het mooiste bewijs dat activisten genoeg hebben aan e-mail, mobilofoons en de gunst van de publieke opinie om de boel op stelten te zetten.

Zowel voor- als tegenstanders zijn onder de indruk van de macht van actiegroepen. ,,Gewone mensen die hun krachten bundelen zijn tot heel wat in staat'', zegt Jody Williams. Zij kan het weten, want ze bundelde de krachten van honderden actiegroepen in een campagne tegen landmijnen, en werd daarom genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede.

Toch voelen de traditionele actiegroepen zich in het nauw gedreven. Onder de noemer ,,activist'' vallen zowel gerespecteerde groepen als anarchisten. Gevestigde waarden moeten voortdurend strijd leveren om leden te ronselen, om fondsen te werven en om media-aandacht te krijgen. Directe actie en pittige slogans lijken daarvoor de beste strategie te zijn, maar de vaak complexe materie waar ze rond werken, leent zich daar niet altijd toe.

Als ze te veel publiciteit maken, verliezen ze misschien ook hun geloofwaardigheid. Sinds ze meer macht hebben, worden ze ervan beschuldigd hun verantwoordelijkheid niet op te nemen, paniek te zaaien en oogkleppen op te hebben.

Niet alle actiegroepen slagen erin die stoten te pareren. Dat zegt Ulrich Steger, professor aan de IMD Business School in Zwitserland. Actie- of vrijwilligersgroepen die verdwijnen halen het nieuws niet, en komen ook niet voor in de statistieken. Grotere groeperingen met een professionele financiële structuur houden het hoofd wel boven water, maar veel kleine, beginnende groepjes die zich op één probleem concentreren zijn een vogel voor de kat. De vrijwilligers blijven ontmoedigd achter en geven er doorgaans de brui aan.

Volgens Steger is de steun voor de milieubeweging nu gestagneerd, na de sterke toename in de vroege jaren '90. Het Wereldnatuurfonds (WWF) heeft meer dan 4,7 miljoen leden, goed voor een jaarinkomen van 320 miljoen dollar (15 miljard frank) in 1998. Greenpeace maakte onlangs bekend dat zijn ledenaantal voor het eerst in 9 jaar weer is gestegen. De milieugroepering telt nu 2,5 miljoen steunende leden, die vorig jaar samen 126 miljoen euro (5 miljard frank) in het laatje brachten.

Steger wijst erop dat er meer interactie maar ook meer concurrentie komt tussen de verschillende groeperingen. Men schat dat het aantal actiegroepen in 30 jaar tijd is verviervoudigd. Er zouden er nu en nu zo'n 20.000 zijn. Het aantal vrijwilligers en de tijd die zij uittrekken voor de goede zaak is niet in dezelfde mate gestegen.

Greenpeace verliest terrein waar het al het langst succes heeft, onder meer in Duitsland. Actie voeren rond mondiale milieuproblemen zoals het broeikaseffect is erg moeilijk. Die problemen zijn wetenschappelijk immers erg complex en de gevolgen ervan zullen pas later voelbaar zijn, vaak alleen ver buiten de Europese grenzen.

Actiegroepen moeten ook een nieuwe generatie aanspreken, die met activisme is opgegroeid. Volgens Steger blijkt uit onderzoek dat Amerikanen en Europeanen jonger dan 24 zeer milieubewust zijn. Maar ze willen alleen actie voeren rond milieuproblemen die een rechtstreekse invloed op hun eigen leven hebben. Jongeren zijn minder snel dan hun ouders geneigd te geloven dat directe actie iets verandert aan complexe problemen zoals de opwarming van de planeet.

Dat is voor de milieugroeperingen een harde dobber. Ze staan steeds meer onder druk om zich ook op de sociale en economische problematiek te storten. Men vindt immers dat ze in het verleden te weinig aandacht hadden voor werkgelegenheid en voor de gemeenschap. Tijdens de recente acties rond de brandstofprijzen leek het erop dat de milieubeweging niet goed wist welk standpunt in te nemen. Als ze resoluut de groene kaart trok, stootte ze immers de hele bevolking voor het hoofd.

De actiegroepen weten donders goed dat ze hun eigenheid moeten bewaren. Tijdens het laatste decennium hebben de 10 grootste groeperingen de koek onder elkaar verdeeld. Dat zegt althans John Elkington van Sustainability , een adviesbureau.

De verschillende groeperingen zijn complementair, vindt hij. ,,Er is vaak synergie tussen de actiegroepen. Het is verbazingwekkend hoe efficiënt Greenpeace en het WWF zijn. Ze vullen elkaar perfect aan.''

Die symbiose geldt ook op het terrein. Enerzijds zijn er de extremistische actiegroepen die de confrontatie niet uit de weg gaan, anderzijds zijn er groeperingen die allianties aangaan met de bedrijfswereld. ,,Daartussen bevinden zich bewegingen die zonder het toe te geven de directe actie genegen zijn,'' zegt Elkington. ,,Volgens hen kun je alleen op die manier de heilige huisjes neerhalen.''

De allianties met het bedrijfsleven laten er weinig twijfel over bestaan dat een aantal progressieve bedrijven heel wat invloed hebben op het milieudebat.

Die trend naar allianties is ook het gevolg van het toenemende professionalisme van de actiegroepen. ,,De grote, internationale bewegingen pakken de zaken inderdaad steeds professioneler aan,'' zegt Steger. ,,Nu ze er na tientallen jaren in geslaagd zijn de publieke opinie wakker te schudden, vragen ze zich af hoe ze de problemen zelf moeten aanpakken. Ze moeten oplossingen aanreiken, en dat kan alleen als ze over professionele kennis beschikken.''

De samenwerking tussen actiegroepen en bedrijven loopt natuurlijk niet altijd van een leien dakje. Het werk van de milieugroeperingen is vaak vertrouwelijk, zodat ze er niet echt mee kunnen uitpakken. Sommigen onder hen, die zijn gevormd tegen de anti-kapitalistische achtergrond van de jaren '60, slagen er niet in hun aangeboren vijandigheid tegenover de bedrijfswereld te overwinnen.

Heel wat leden van deze groeperingen delen die argwaan. Daardoor is een langdurige en hevige discussie ontstaan over de samenwerking met de bedrijfswereld. Toen het Amerikaanse Environmental Defense Fund die tactiek begin jaren '90 introduceerde, werd ze beschuldigd van hoogverraad. Een medewerker van Greenpeace zei toen: ,,Je gaat toch ook niet met de drugsdealers aan tafel zitten om het drugsprobleem op te lossen.''

De gevestigde waarden weten dat de radicalere groeperingen hen op de hielen zitten. Als de leden van een actiegroep meer voelen voor de compromisloze houding van de radicalen, zal die groep niet geneigd zijn te evolueren naar een meer professionele, constructieve aanpak.

De militanten hebben keuze te over. De laatste jaren waren heel wat acties die het nieuws haalden het werk van informele groepjes individuen. Denk maar aan acties tegen wegenbouw, het protest tegen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en onlangs nog de acties tegen de brandstofaccijnzen.

Deze nieuwe generatie activisten beschikt wellicht over minder professionalisme en finesse dan de bekende groeperingen, maar ze hebben veel meer bewegingsvrijheid. ,, De traditionele actiegroepen zullen er een hele kluif aan hebben'', besluit Elkington.

© The Financial Times