BRUSSEL -- Als de overheid en de petroleumsector het niet eens worden over de financiering van de stookoliecheques, dan zou het wel eens kunnen dat de consument uiteindelijk de rekening betaalt. De oliesector moet een miljard frank bijdragen, maar vindt dat veel te veel. Wordt het een verplichte bijdrage, dan gaan de brandstofverkopers wellicht kleinere prijskortingen toestaan bij de verkoop aan de eindverbruikers. Vijftien centiem minder korting en het miljard frank is gevonden.

De regering vond eind vorige week dat de Belgische petroleumsector na de voortdurende recordrace van de olieprijs gemakkelijk een miljard frank kon missen. Daarmee was meteen de helft van het bedrag gevonden om mensen met een bescheiden inkomen een stookoliecheque van vijf frank per liter te geven.

Er rijst een groot probleem. De superwinsten worden gemaakt in het buitenland, door een handvol oliemultinationals, en vooral dankzij olie-exploratie en het oppompen van ruwe olie.

In de Belgische petroleumsector kom je de namen van die grote concerns wel tegen, maar de activiteiten van de olienijverheid in ons land zijn niet te vergelijken met de beelden van booreilanden en productieplatforms, supertankers en pijpleidingen. Vandaag is de Belgische petroleumnijverheid een combinatie van enkele olieraffinaderijen en een grote verzameling van vooral kleine brandstofverdelers. En die moeten het doen met vaste distributievergoedingen.

Een Belgische overheidsheffing op de megawinsten van de exploratie- en productieactiviteiten lijkt in ieder geval een onhaalbare kaart. Er is geen enkel Belgisch oliebedrijf meer met dergelijke activiteiten. ,,Die winsten worden gemaakt door buitenlandse bedrijven en worden daar belast'', liet de woordvoerder van de Petroleumfederatie zich ontvallen als reactie op de uitspraken van minister Johan Vande Lanotte over de superwinsten van de petroleumsector.

Dan maar de raffinaderijen belasten? Die maken meestal deel uit van de grote olieconcerns. Alhoewel, België telt meer typische olieraffinagebedrijven zonder een olie-exploratie en productietak. Superwinsten waren er de voorbije jaren niet bij. Integendeel, Europa kampt al jaren met een overcapaciteit en sluitingen waren de jongste jaren schering en inslag -- al bleef België een dergelijke sanering bespaard.

In 2000 gaat het wel iets beter met de raffinage, wordt in de sector erkend. Maar dat compenseert geenszins de tegenvallende bedrijfsresultaten van de voorbije jaren.

Rest dan de brandstofhandelaar. Johan Mattart, directeur van de Belgische Federatie van de Brandstofhandelaars, beklemtoont dat zijn organisatie zich niet verzet tegen de stookoliecheques. Samen met de Petroleumfederatie werd 260 miljoen frank op tafel gelegd voor de financiering ervan. De kloof met de eis van één miljard frank van de Belgische regering, is niettemin heel groot. De hele Belgische petroleumsector beweert bovendien met de hand op het hart dat die één miljard frank bijdrage voor de financiering van de stookoliecheques buiten alle proporties is.

Dat kan niet binnen de huidige maximale distributiemarge, luidt het. De brandstofhandelaars hebben geenszins de handen vrij, want ondanks de forse stijging van de prijzen van de afgewerkte olieproducten, incasseren zij een vaste vergoeding. Voor stookolie bedraagt die vergoeding 1,76 frank per liter, voor benzine 4,9 frank en voor lpg 5,47 frank, ongeacht de verkoopprijs van het olieproduct. Een keer per jaar kan de prijs aangepast worden, en dan is het nog in de vorm van een indexaanpassing.

De vaste vergoeding en de jaarlijkse indexaanpassing zijn onderdelen van het programmacontract, een prijsregulering die vroeger door de overheid en de petroleumsector werd uitgewerkt. Streefdoel was toen om prijspieken af te zwakken, maar tegelijk ook om de gevolgen van een prijscrash te milderen.

De Petroleumfederatie -- de belangenbehartiger van de plaatselijke filialen van grote oliegroepen -- onderhandelt nu met de minister van Economische Zaken en de staatssecretaris van Energie over de bijdrage van de petroleumsector.

Welke argumenten er ook op tafel komen, de politieke meerderheid heeft gratis stookoliecheques beloofd, en met de verkiezingen in zicht is het onmogelijk om terug te krabbelen. Volhardt de petroleumsector in zijn verzet, dan kan de overheid niet anders dan de bijdrage te verplichten. Het enige resultaat zal zijn dat de consument uiteindelijk de rekening betaalt omdat de distributie de huidige kortingen op de maximumprijzen zal inkrimpen. Vandaag zijn dergelijke kortingen het concurrentiewapen in de distributie.

De onderhandelingspositie van de oliesector vertoont wel enkele zwakke punten.

De Belgische oliesector moet nog altijd aantonen dat hij geen superwinst overhoudt aan de verkoop van brandstoffen aan de eindverbruikers. Tweede zwakte: de brandstofprijs bevat momenteel een vergoeding voor de verplichte opslag van olieproducten. De Belgische petroleumbedrijven zouden zich echter niet houden aan de afgesproken volumes.

Verder is het nogal eigenaardig dat de regering in de eerste plaats onderhandelt met vertegenwoordigers van de Petroleumfederatie. Deze federatie vertegenwoordigt slechts een fractie van de hele Belgische petroleumsector. De meeste leden van de Petroleumfederatie zijn bovendien pure filialen van de olieconcerns die vandaag megawinsten boeken.

De Belgische Federatie van Brandstofhandelaars (Brafco), die 1.200 leden telt, werd totnogtoe niet bij de onderhandelingen betrokken, verklaart Johan Mattart, directeur van de Brafco. De leden van Brafco nemen in België een almaar groter deel van de distributie van autobrandstoffen en stookolie voor hun rekening. Dat is zeker het geval voor stookolie. 80 en 90 procent van het jaarlijkse Belgische stookolievolume wordt aan de eindverbruiker verkocht en geleverd door zelfstandige en onafhankelijke brandstofverdelers.