De toekomst van de geplande Kaspische oliepijpleiding hing het voorbije jaar aan een zijden draadje. Maar de onvoorwaardelijke steun die het project nu krijgt van oliereus BP brengt daar verandering in.

De plannen voor een pijpleiding van 2.000 kilometer lang, van de Kaspische zee naar de Turkse havenstad Ceyhan aan de Middellandse zee, zijn niet nieuw. Het project geniet de volle steun van de Verenigde Staten. Maar de hele zaak werd vorige week weer een stuk concreter toen de investeerders de volgende stap in de ontwikkeling goedkeurden.

Een groep van acht sponsors voor de pijpleiding Baku-Tbilisi-Ceyhan maakte maandag de balans op van de vorige fase in de ontwikkeling. Die werd onlangs afgerond voor een prijskaartje van 1,3 miljard frank. De groep keurde de volgende fase met enige aarzeling goed.

Die nieuwe fase zal 6,7 miljard frank kosten en moet afgerond zijn tegen de zomer van volgend jaar. Dan krijgt men een beter zicht op het totale kostenplaatje. De aandeelhouders van de sponsors moeten de zaak nog goedkeuren, maar volgens insiders is dat maar een formaliteit.

Als alles naar wens verloopt, bekrachtigen de aandeelhouders in de herfst van 2002 de aanleg van de pijpleiding, een project dat naar schatting 120 miljard frank zal kosten. Tegen het einde van 2004 moet de pijpleiding dan operationeel zijn.

De goedkeuring van deze nieuwe ontwikkelingsfase is een mijlpaal voor het project. Nauwelijks een jaar geleden was men nog lang niet zeker dat de pijpleiding leefbaar was.

De ommekeer kwam er toen BP zich achter het project schaarde. BP is sterk aanwezig in de regio en is het grootste bedrijf in het consortium dat de pijpleiding van olie moet voorzien. Dat consortium, de Azerbaijan International Operating Company (AIOC) exploreert onder de noemer ACG drie olievelden in de regio.

BP berekende dat de pijpleiding in zijn levensloop zes miljard vaten olie moest verwerken om leefbaar te zijn. De AIOC kan er maar vier miljard leveren, waardoor men op zoek moest naar extra volume uit de boorplatformen voor de kust van Azerbeidzjan of uit het buitenland.

Volgens David Woodward, co-directeur van BP in Azerbeidzjan, liggen de slaagkansen van het project nu veel hoger, dankzij gunstige overeenkomsten met Azerbeidzjan, Georgië en Turkije, de drie landen waar de pijpleiding doorheen loopt. Het project hoeft nu immers alleen nog terug te vallen op de oliereserves van Azerbeidzjan, terwijl men vroeger vreesde dat die reserves niet volstonden.

Heel wat insiders fronsen toch de wenkbrauwen bij de ommezwaai van BP. ,,Eigenlijk is er helemaal niks veranderd'', zegt Julian Lee van het Centre for Global Energy Studies . ,,De kostenraming en de heffingen op de pijpleiding zijn niet verlaagd, er is geen sprake van bijkomende olievolumes, en toch zegt BP plotseling dat de pijpleiding wel een commercieel succes wordt.'' Volgens hem heeft een van de betrokken partijen een financiële toegeving gedaan.

Maar anderen twijfelen niet aan het woord van BP. Het feit dat Turkije zich om milieutechnische redenen heftig verzet tegen nog meer transport met olietankers door de Bosporus, heeft volgens hen de beslissing van de multinational in de hand gewerkt. Doordat de regering Bush bij zijn standpunt tegenover Iran blijft, vervalt ook de mogelijkheid van een pijpleiding langs het zuiden, zeggen sommige specialisten.

Toch is de pijpleiding van aan de Kaspische zee niet zo vanzelfsprekend. Woodward houdt nog altijd rekening met een verhoging van de kostenraming tijdens deze nieuwe ontwikkelingsfase, ook al acht hij de kans daarop bijzonder klein. Bovendien zijn de banken ongetwijfeld weinig happig om nog kredieten te verlenen. Die staan nu al in voor zestig procent van de totale kosten van de pijpleiding.