BRUSSEL -- In september 1995 trad hij uit de schaduw, toen hij nationaal voorzitter werd van de socialistische vakbond. Maar voordien was Michel Nollet al jarenlang de feitelijke sterke man van het ABVV, achter de schermen, als de machtigste van alle baronnen uit de beroepscentrales. In mei 2002 gaat Nollet met pensioen. De sterke man verdwijnt weer.

Volgend jaar wordt Michel Nollet 63 jaar. ,,Tijd om te stoppen'', zegt hijzelf. En -- met een ironische glimlach op de lippen -- ,,ik heb hard gewerkt en ben moe''. Hij zal dan zeven jaar voorzitter zijn geweest van de tweede grootste vakbondskoepel van het land.

In die tijd heeft hij de jarenoude vetes tussen de verschillende fracties binnen het ABVV weten te neutraliseren, of althans buiten het oog van de camera's weten te houden. De machtsevenwichten tussen de nationale federatie, de regio's en de beroepscentrales werden herschikt, en het interne gezag van de voorzitter is groter geworden, een beetje naar analogie met het organisatiemodel van het christelijke ACV.

Voordat hij voorzitter werd, was Michel Nollet al de man die in de socialistische vakbond de lakens uitdeelde. Als nummer één van de rijkste, grootste (280.000 leden) en machtigste van alle ABVV-beroepscentrales: de Algemene Centrale, onder meer actief in de bouw en de chemie. Nollet was de man die in 1993 het zogenaamde Toekomstcontract -- tussen vakbonden, werkgevers en regering-Dehaene -- afschoot, en daarmee ook de eigen ABVV-leiders, toenmalig voorzitter François Janssens en algemeen secretaris Mia De Vits.

Het is in die periode dat Nollet zijn bijnamen van machtsmens, radicaal syndicalist, maar ook meester-tacticus kreeg.

Als voorzitter kreeg hij op zijn beurt kritiek en interne tegenstand te verwerken. De vroegere oproerkraaier was de schietschijf geworden. Zo was er in 1997 de raid op het hoofdkantoor van het ABVV door de ultralinkse kompanen van Roberto D'Orazio, de stakingsleider bij Forges de Clabecq. Nollet kon toen niet anders dan de nochtans populaire D'Orazio uit de vakbond sluiten. Eigenaardig genoeg is Nollets autoriteit sindsdien gestaag toegenomen.

Nollet was verstandig genoeg om een sterke tandem te vormen met Mia De Vits, die in 1995 door verzet van Waalse voormannen als Urbain Destrée geen voorzitter mocht worden. Samen met De Vits kreeg Nollet geleidelijk aan meer greep op de eigengereide (financiële) handel en wandel van zijn beroepscentrales.

Over het politieke gewicht van Nollet verschillen de meningen. Maar dat zijn stem binnen de Parti Socialiste altijd luid heeft geklonken, en dat hij -- gedwongen -- trouw is gebleven aan het vakbondsfront met het ACV staat wel vast.

Ideologisch durft Nollet radicale standpunten innemen. Hij vindt bijvoorbeeld dat ,,de klassestrijd nog altijd bestaat''. En verweert zich uit alle macht ,,tegen elke aanval op de vakbondsvrijheden, zoals het recht op staking''. Tegelijk is hij een pragmaticus die weet hoever hij in onderhandelingen kan gaan en die weet wanneer hij moet inbinden. Als de 32-urige werkweek politiek niet haalbaar is, voldoet voor hem de invoering van het recht op tijdkrediet evenzeer.

Michel Nollet is een atypische vakbondsleider. Hij is een van de weinigen uit de huidige vakbondsleiding, bij ABVV èn ACV, die zelf als jonge twintiger nog als arbeider in fabrieken hebben gewerkt, bij Sabca onder meer.

Normaal volgt Mia De Vits hem in mei volgend jaar op. Sinds 1989 is zij de nummer twee in het ABVV. Nollet gaf al te kennen dat zij ,,de logische keuze'' zou zijn van het ABVV-congres, de ,,vanzelfsprekende opvolgster''. Binnen de ABVV-top bestaat er trouwens al een consensus over de kandidatuur van De Vits. Ze zou de eerste vrouw zijn in de Belgische geschiedenis als nummer één van een vakbond.