BRUSSEL -- De wet bepaalt dat slachtoffers van verkeersongevallen waarbij niet kan worden uitgemaakt wie aansprakelijk is, niet worden vergoed door het Waarborgfonds van de verzekeringssector. Die bepaling is volgens het Arbitragehof in strijd met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Het arrest dat het Arbitragehof gisteren publiceerde, was een antwoord op een prejudiciële vraag van het Brusselse hof van beroep. Dat moet uitmaken of de slachtoffers van een frontale aanrijding tussen twee wagens recht hebben op vergoeding door het Waarborgfonds. De twee slachtoffers waren correct verzekerd, maar omdat niet kon worden uitgemaakt bij wie de fout voor het ongeval ligt, betalen de verzekeraars niet.

Daarop trokken de slachtoffers naar het Waarborgfonds van de verzekeringssector dat volgens de wet van 9 juli 1975 de slachtoffers van een verkeersongeval vergoedt bij vluchtmisdrijf, als de tegenpartij niet (voldoende) verzekerd is of als om een andere reden geen enkele verzekeraar een vergoeding moet uitbetalen.

Diezelfde wet bepaalt dat slachtoffers van een verkeersongeval waarbij niet kan worden uitgemaakt wie van de betrokken bestuurders aansprakelijk is, niet in aanmerking komen voor een tussenkomst van het Waarborgfonds. Het hof van beroep legde het probleem in de vorm van een prejudiciële vraag voor aan het Arbitragehof.

Het Arbitragehof bekijkt en beantwoordt een prejudiciële vraag los van het concrete geval waarover het Brusselse hof van beroep moet oordelen. Het antwoord van het Arbitragehof is bindend voor alle lagere rechtbanken. Nu het Arbitragehof geoordeeld heeft dat artikel 80, paragraaf 1 van de wet van 9 juli 1975 wel degelijk het gelijkheidsbeginsel schendt, moet het Brusselse hof van beroep dat artikel ,,buiten toepassing zetten''. De kans is groot dat de rechtbank dan oordeelt dat het Waarborgfonds wel een vergoeding moet betalen.