De Europese economieën die uit zijn op hervormingen kunnen het goed doen zonder de welvaartsstaat te ontmantelen.

De economische mode verandert snel. Tien jaar geleden waren velen ervan overtuigd dat Japan en Duitsland een beter economisch model hadden dan de VS. Tegen het einde van de jaren negentig stelden velen dan weer volop vertrouwen in het Amerikaanse model.

Maar de vertraging van de Amerikaanse economie in de afgelopen maanden heeft dat vertrouwen een knauw gegeven. Het is nu tijd om ons af te vragen: wie heeft het beste kapitalisme?

De afgelopen decennia hebben de VS en West-Europa hun welvaart -- het bruto binnenlands product per inwoner -- opvallend gelijklopend zien groeien. Van 1979 tot 2000 bedroeg de gemiddelde groei in de VS 1,8 procent en in Europa 1,9 procent. Europa zag van 1980 tot 1995 zijn welvaart sneller groeien dan de VS maar in beide regio's was de groei trager dan in de voorgaande decennia. De VS deden het de afgelopen vijf jaar beter dan Europa maar beide noteerden een versnelling.

Die gelijklopende groeipatronen verbergen een verschillende absolute positie. De Amerikaanse welvaart per inwoner ligt ongeveer 20 procent hoger dan het Europese gemiddelde maar dat is bijna volledig toe te schrijven aan een groter aantal gewerkte uren. Als economisch succes als doel heeft de aangename gevolgen -- consumptie van goederen en diensten -- te maximaliseren ten opzichte van onaangename inspanningen -- gewerkte uren -- dan doen Frankrijk en Duitsland het bijna even goed als de VS. De VS creëren meer banen maar niet meer productieve banen en Amerikanen kloppen meer uren maar werken niet productiever.

Het idee dat de VS fundamenteel beter presteren dan Europa is daarom even onjuist als het vroegere geloof dat de Rijnland-economieën met stakeholder values inherent superieur waren.

Maar de VS hebben twee permanente voordelen en één tijdelijk. De totale Amerikaanse productiviteit -- de productie in vergelijking met het ingebrachte kapitaal en de arbeid -- is hoger dan de Europese wegens twee fundamentele redenen.

De eerste is een lagere bevolkingsdichtheid, wat betekent dat het land er goedkoper is, planologische regels losser zijn en de fysieke ontwikkeling expansiegerichter is. Het is gewoon veel gemakkelijker om een hoge productiviteit te halen, zowel in de dienstensector als in de industrie, in uitgestrekte en ongerepte gebieden met wegen waar weinig verkeer rijdt dan in kleinere en bebouwde gebieden met overvolle wegen. De dichtbevolkte landen van Europa moeten een economische prijs betalen voor hun bevolkingsdichtheid. Ze kunnen die betalen met een lagere productiviteit of met een degradatie van het milieu maar ze kunnen het niet ontlopen.

Ten tweede hebben de VS het voordeel van één enkele markt met een homogene cultuur, één taal en één munt. Daardoor kunnen de bedrijven de Amerikaanse markt bedienen met één reclamecampagne, één reeks folders met productinformatie, één juridische afdeling en één boekhoudsysteem.

Als je die twee factoren samen neemt, is het niet vreemd dat de VS een voorsprong hebben qua productiviteit maar wel dat die voorsprong zo klein is. Een mogelijke verklaring is dat Europa zijn eigen voordelen heeft, bijvoorbeeld de capaciteiten van zijn werknemers, die de inherente voordelen van de VS gedeeltelijk compenseren.

Het tijdelijke voordeel van de VS is dat zijn aandelencultuur en flexibele arbeidsmarkten beter geschikt zijn voor de recente technologische en structurele tendensen. Een snelle toewijzing van financiële middelen via risicokapitaal en de beurs is essentieel om het potentieel aan productiviteit van de informatietechnologie te grijpen. Daardoor kantelt de weegschaal in het nadeel van de langetermijnrelatie met de stakeholders , de betrokkenen zoals het personeel en de maatschappij, die Europa en Japan zoveel diensten bewees in vroegere jaren.

Flexibelere arbeidsmarkten maken zowel een snellere herstructurering mogelijk van bestaande sectoren als de creatie van banen. Die nieuwe banen, vooral in persoonlijke dienstverlening, zijn nodig om de banen te vervangen die verloren gingen door de automatisering. Ondanks de economische vertraging realiseerden de VS onlangs een sterke productiviteitsstijging en creëerden ze snel nieuwe banen. Dat zijn kenmerken van het Amerikaanse model waar Europa lessen kan uit trekken.

Daarom moet Europa het pad van de marktliberalisering volgen. Het goede nieuws is dat Europa al goed opgeschoten is met de noodzakelijke veranderingen. De liberalisering van de telecommunicatiemarkten werd gerealiseerd. De Franse regering heeft in vier jaar tijd voor 40 miljard dollar aan staatsactiva geprivatiseerd. De Spaanse regering heeft hervormingen doorgevoerd van de arbeidsmarkt die hebben bijgedragen tot de creatie van twee miljoen nieuwe banen in de afgelopen vijf jaar.

Wat niet gebeurt, tot ergernis van rechtse ultraliberalen, is een grootschalige aanval op de Europese systemen van sociale zekerheid en openbare voorzieningen om een radicale belastingverlaging te realiseren.

Maar dat is wenselijk noch noodzakelijk. Het klopt dat belastinghervormingen nodig zijn in verschillende landen om de kosten van laaggeschoolde arbeid te verminderen. Maar er is geen empirisch bewijs voor het idee dat het algemene niveau van belastingen de gemiddelde kostprijs van arbeid onhoudbaar heeft gemaakt.

Terwijl belastingen boven een bepaald niveau wel initiatieven afremmen, zitten maar weinige Europese landen boven dat niveau. De Nederlandse economie heeft de afgelopen tien jaar beter gepresteerd dan de Amerikaanse en dat ondanks een regulering en belastingen die vloeken met een simplistisch ultraliberaal credo.

Het is duidelijk dat de prestaties van kapitalistische economieën meer gelijkenissen dan verschillen vertonen. Er zijn zeker beleidsvormen die schadelijk zijn voor de economische prestaties van een land, zoals staatssocialisme of een onverantwoord financieel overheidsbeleid.

Er bestaan echter ook een hele reeks sociale beleidsopties die maar een minimaal verschil maken voor de economische prestatie van een land. De Europese landen moeten dus het vertrouwen hebben om hun economie te hervormen zonder de wenselijke kenmerken van hun traditionele sociale benadering weg te gooien.

(De auteur is vice-voorzitter van de Europese afdeling van de zakenbank Merrill Lynch.)