Een besloten groep van invloedrijke industriëlen heeft grootse visies voor Europa en probeert de ideeën van politieke leiders te beïnvloeden, schrijft Paul Betts .

Het gebouw kan bijna dienst doen als locatie voor een film van Alfred Hitchcock. Het zit weggestoken in een onverdachte buurt van Brussel. Het onopvallende blok heeft geen portier, enkel een intercom waarmee bezoekers via twee glazen deuren worden binnengelaten in een kleine Spartaanse gang die naar twee liften leidt en naar een trap die verborgen zit achter een gesloten deur.

Het kantoor van de European Round Table of Industrialists (ERT) omvat een hele verdieping. Het kantoor is sober en functioneel, wat niet echt overeenstemt met een organisatie waarvan de 46 leden de topmannen zijn van Europese bedrijven die een gezamenlijke jaaromzet hebben van meer dan 950 miljard euro en samen een wereldwijd personeelsbestand hebben van bijna vijf miljoen mensen.

Je kan je moeilijk indenken dat op deze plaats een strategie werd bedacht die donderdag wordt beoordeeld tijdens de Europese top in Stockholm. Die strategie, die de Europese regeringen en de Europese Commissie vorig jaar op de top van Lissabon lanceerden, is grotendeels gebaseerd op algemene aanbevelingen van de ERT. De groep spoorde de Europese Unie aan om ,,de meest concurrentiële en dynamische kenniseconomie ter wereld te worden, die in staat is om een duurzame economische groei te realiseren met meer en betere banen en een grotere sociale cohesie''.

Dat klinkt indrukwekkend maar alles aan de ERT is dan ook groots. Zelfs zijn zorgvuldig beschermde onzichtbaarheid verraadt het rustige vertrouwen dat uitgaat van macht.

De geheimzinnigheid heeft de critici alleen maar gesterkt in hun overtuiging dat de ERT ,,een schimmige lobbygroep is die de afgelopen 15 jaar een ijzeren greep heeft gehad op de beleidsvorming van de Europese instellingen in Brussel''. Zo omschreef de krant The Guardian de groep in een rapport uit 1999.

Een bijzonder kritische studie, die zeven jaar geleden verscheen onder de titel ,,Misshaping Europa''(Het misvormde Europa), suggereerde zelfs dat ,,de politieke agenda van de Europese Gemeenschap (zoals de Europese Unie toen heette) in grote mate werd gedomineerd door de ERT''. En terwijl de ongeveer 5.000 lobbyisten die in Brussel werken er af en toe in slagen om bepaalde details van een richtlijn te veranderen, stelt het rapport, ,,bepaalde de ERT in vele gevallen de agenda en besliste de groep over de inhoud van Europese voorstellen''.

Belachelijk, noemen gewezen en huidige leden dat. Ze geven wel toe dat de groep ,,Oxfam niet is'' maar ze zeggen dat het voor de grote bedrijven in Europa steeds moeilijker wordt om te lobbyen bij regeringen en bij de Europese instellingen in Brussel. ,,In de VS is alles geconcentreerd in Washington'', zegt iemand die al lang lid is van de ERT. ,,In Europa moet je lobbyen op het lokale niveau. Dat wil zeggen in Parijs, Londen, Rome, Berlijn of Madrid en niet in Brussel.''

De waarheid ligt waarschijnlijk ergens tussenin. Een ander lid van de groep omschrijft de ERT niet zozeer als een organisatie maar als een club. ,,Een club van prima donna's en het is een waar mirakel dat de club functioneert.''

De ERT werd in 1983 geboren en vloeide voort uit de groupe des présidents die in de jaren zestig was opgericht door een heel select groepje van Europese tyconen onder leiding van Giovanni Agnelli van Fiat. Ze kwamen één of twee keer per jaar samen om ideeën uit te wisselen en een paar goede flessen wijn te kraken.

Onder de impuls van Pehr Gyllenhammer, de toenmalige voorzitter van Volvo, werd die groep in de jaren tachtig omgevormd tot een grotere, actievere lobbygroep van grote bedrijven. Het aantal leden nam sindsdien toe van 17 tot 46 en het secretariaat verhuisde van Parijs naar Brussel. Het blijft een heel exclusieve groep, gedomineerd door grote Europese industriële groepen zoals Siemens, Renault, Fiat, ThyssenKrupp, Philips en Bayer en multinationals zoals Unilever, BP Amoco, Royal Dutch/Shell en Nestlé.

Er gelden nog altijd strikte clubregels. Zo staat het lidmaatschap ,,op naam van de persoon, niet het bedrijf'' en kan je enkel lid worden op uitnodiging.

Leden worden verzocht de groep te verlaten als ze niet komen opdagen voor de twee jaarlijkse bijeenkomsten of niet deelnemen aan werkgroepen of aan de opstelling van rapporten met de standpunten van de groep.

Iemand die onlangs als lid werd afgewezen, is Franck Riboud, voorzitter van de Franse voedingsgroep Danone, die in 1998 lid werd maar sindsdien geen enkele bijeenkomst bijwoonde. Jürgen Schrempp, de voorzitter van DaimlerChrysler, verliet de groep in 1999 omdat hij het te druk had om deel te nemen.

,,De ERT is een waardevolle praatgroep voor zakenmensen en een kans voor zeer drukke mensen om elkaar te ontmoeten. De groep levert ook goede rapporten af'', zegt Marco Tranchetti Provera, voorzitter van Pirelli.

In een recent pamflet gericht aan de leden stelt Morris Tabaksblat, de huidige voorzitter van de ERT, dat de stichters van de ERT ,,gedreven werden door de slechte toestand van de Europese economie in de jaren tachtig en door het feit dat Europese bedrijven er vaak niet in slaagden om met succes te concurreren met Japanse en Amerikaanse bedrijven die hun activiteiten naar hun thuismarkten uitbreidden''.

De organisatie zag haar invloed toenemen vanwege drie belangrijke redenen.

Ten eerste waren de regeringen van de Europese Gemeenschap en andere Europese instellingen erop gebrand om direct contact te hebben met belangrijke vertegenwoordigers van de Europese zakenwereld.

Ten tweede wensten bepaalde leden heel sterk voorstellen te doen om de concurrentiepositie van Europa te verbeteren en in vele gevallen invloed uit te oefenen op de Europese agenda. Ten derde was er de zwakte van de Union of Industrial and Employers' Confederations in Europa (Unice), de ,,officiële'' stem van de Europese zakenwereld.

,,Het probleem van Unice bestaat erin dat het een federatie van confederaties is'', zegt een voormalige hoge functionaris van de EU. ,,Het is een zwaar bureaucratisch systeem, hoewel het het enige erkende orgaan is dat officieel de hele Europese industrie vertegenwoordigt. Kortom, het is een reactieve instelling waar de ERT met zijn minimale bureaucratie pro-actief werkt'', legt hij uit. Het resultaat is dat de ERT in grote mate de rol heeft overgenomen die de Unice niet goed speelde.

Functionarissen in Brussel erkennen dat de ERT veel krediet verdient voor de eerste stimulans die in 1992 tot de Europese eenheidsmarkt leidde. ,,Wisse Dekker, de toenmalige voorzitter van Philips, hield een gewaagde maar goed geformuleerde toespraak waarbij hij de alarmklok luidde. Hij zei dat Europa achterop liep en verdedigde het idee van een eenheidsmarkt'', zegt een gewezen functionaris.

En Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie, begreep snel dat hij de steun nodig had van de bedrijfswereld als hij van de creatie van de eenheidsmarkt de ruggengraat van zijn voorzitterschap wou maken. ,,De ERT was de geschikte partner'', legt de voormalige functionaris uit. ,,Unice had dat niet kunnen doen. De besprekingen met de ERT waren simpel en duidelijk.''

Een andere belangrijke bijdrage van de ERT was het doorvoeren van benchmarking of vergelijkingen als instrument om het Europees beleid te voeren. Keith Richardson, een voormalige secretaris-generaal van de ERT, herinnert zich hoe dat werd gerealiseerd.

,,De eerste reacties waren verdeeld en we kregen meer dan eens te horen dat de regeringen het idee nooit zouden aanvaarden. Door geduldig en iedere keer opnieuw de argumenten te herhalen, konden we Europa overtuigen en in zijn toespraak van 1999 verklaarde Jacques Santer, de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie, gewoonweg dat iedereen nu het instrument van de vergelijking zou hanteren.

De vergelijking zal nu gebeuren in Stockholm. De ERT heeft aan alle staatshoofden die daar aanwezig zullen zijn een brief geschreven om ze ertoe aan te sporen dat Europa zich houdt aan de beloften die in Lissabon zijn gemaakt.

In de brief vermeldt de groep domeinen waarin er weinig vooruitgang werd geboekt en meer maatregelen nodig zijn. Zo vraagt ze onder meer vastberaden maatregelen om de Europese markten voor energie en voor postdiensten te liberaliseren en om tot een overeenkomst te komen over het patentrecht die innovaties moet stimuleren. De groep heeft ook een lijst opgesteld met tien aanbevelingen om de concurrentiepositie te verbeteren via ,,de nieuwe Europese kenniseconomie''.

Die aanbevelingen omvatten onder meer de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden voor de ,,nieuwe Europeanen''; het aanwenden van de ervaring van de bedrijven ten voordele van het onderwijs; het verhogen van de investeringen in het beroep van leraar waarbij de leraars een concurrentieel loon krijgen; de invoering van belastingvoordelen om de kosten te dekken van persoonlijke opleidingen; het stimuleren van het nemen van risico's en risicokapitaal.

De groep roept de individuele regeringen op om een masterplan op te zetten waarbij de doelstellingen en de timing worden vastgelegd om de overheid en openbare administraties om te vormen tot efficiëntere, democratischere en responsievere mechanismen. Ze blijft er bij de regeringen ook op aandringen om hun huidige pensioensystemen snel te hervormen.

Het is een ambitieus menu. Maar vele leden van de ERT en hun bedrijven werden door elkaar geschud door de problemen op de beurzen. Verschillende bedrijfsleiders geloven dat Europa nu een kans heeft om de VS in te halen.

,,De vooruitzichten op korte termijn zijn in de VS zeker minder goed dan in Europa'', zegt een lid van de ERT. ,,Als onze instellingen kunnen evolueren, dan denk ik dat we een kans krijgen waarvan we ons niet kunnen veroorloven ze te missen.''

Voor sommigen met een levendige verbeelding, vooral aan de andere kant van de Atlantische oceaan, kan dit klinken als een samenzwering die wordt beraamd in een doodgewoon kantoortje in een rustige buurt van Brussel.