BRUSSEL (belga) -- Federaal minister van Economie Charles Picqué (PS) wil van het Europees Hof van Justitie te weten komen vanaf wanneer gezegd kan worden dat een bedrijf een dominante positie inneemt op een markt.

Hij verklaarde dat dinsdag in de Kamer naar aanleiding van de beslissing van de Britse regering dat Interbrew het Engelse Bass Breweries moet verkopen omdat het anders een te dominante positie zou innemen op de Britse markt.

De beslissing van de Britse minister van handel en industrie Stephen Beyers -- die dateert van begin dit jaar -- berokkent de Leuvense brouwer heel wat schade.

Het bedrijf zou Bass tegen een aanzienlijk verlies moeten verkopen. Het besloot dan ook bij het Brits Hooggerechtshof klacht in te dienen tegen de beslissing. Dat Hof heeft de klacht ondertussen al ontvankelijk verklaard.

Daarnaast besloot de federale regering echter ook stappen te zetten tegen de beslissing. De regering-Verhofstadt besliste vorige maand om op basis van artikel 227 van het Europees verdrag bij het Europees Hof van Justitie klacht in te dienen tegen Groot-Brittannië. Het is de eerste keer dat een lidstaat een andere lidstaat voor het Hof van Justitie sleept.

Door de overname van Bass zou het marktaandeel van Interbrew in Groot-Brittannië stijgen tot 32 procent. Dat kwam volgens de Britse regering neer op een al te dominante positie.

Picqué antwoordde dinsdag in de Kamercommissie voor het bedrijfsleven aan de VLD- en Vlaams Blok-fractieleiders Hugo Coveliers en Gerolf Annemans dat hij van het Hof te weten wil komen wat de term ,,dominante positie'' nu precies inhoudt. Want, argumenteerde hij, in Griekenland heeft één brouwer een marktaandeel van maar liefst 80 procent, en dat stelt blijkbaar geen probleem.

Ondertussen wacht België op een gemotiveerd advies van de Europese Commissie over de klacht. Indien de Commissie binnen de drie maanden niet reageert, kan België de klacht sowieso indienen bij het Europees Hof.