Sommige historici durven de recente geschiedenis in drie fases opdelen, waarbij de 18de eeuw die van de ontdekking van de burgerrechten was, de 19de eeuw die van de politieke rechten en de 20ste die van de sociale rechten. Zou het -- in die redenering -- in de 21ste eeuw niet tijd zijn om de economische rechten van elke burger op het voorplan te zetten, met de invoering van het basisinkomen als individueel recht? Het basisinkomen als sociale correctie op de geglobaliseerde vrijemarkthandel: utopie of dichterbij de realiteit dan we denken?

Het debat over de invoering van het basisinkomen is al jaren voer voor academici. Voor overtuigde sociologen, filosofen en economen, evenals voor enkele welmenende politici en wereldverbeteraars van alle slag. Maar het aantal believers groeit aan. En het zijn lang geen marginalen meer.

Dat bleek op het negende internationale congres van BIEN, wat staat voor Basic Income European Network, zo genoemd omdat deze beweging van oorsprong Europees is, maar intussen met afdelingen op alle continenten.

België heeft iets met het basisinkomen. Het stichtingscongres van BIEN vond in 1986 in Brussel plaats. En wellicht de meest invloedrijke ,,denker'' in de beweging is een Belg: Philippe Van Parijs, professor aan de UCL en vorig jaar winnaar van de prestigieuze Francqui-prijs.

Van Parijs was alomtegenwoordig op het congres in Genève, met aan Belgische kant voorts de opgemerkte aanwezigheid van de Antwerpse socioloog Walter Van Trier en van zakenman Roland Duchâtelet. De hoofdaandeelhouder van de technologiebedrijven Melexis en Epiq maakte twee dagen vrij op zijn drukke agenda om met de privé-Cessna over en weer te vliegen naar Genève, en er zich actief te mengen in de debatten.

De interesse van Duchâtelet is niet geveinsd. Met zijn politieke beweging Vivant propageert hij al jaren de invoering van het basisinkomen in ons land. Grote electorale successen leverde dat vooralsnog niet op. ,,Maar dat geeft niet'', zegt hijzelf. ,,Als het idee maar doorsijpelt bij de politieke besluitvormers.''

De congresgangers waren opgetogen over hun vergaderzaal: de kantoren van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). ,,De beweging voor het basisinkomen heeft in amper vijftien jaar een lange weg afgelegd'', zegt Walter Van Trier. ,,Bij de eerste congressen waren er twintig deelnemers of zo, en sliep iedereen ergens in een achterkamertje op een universiteit. Tussen de congressen door stuurden we e-mails rond naar elkaar, 's avonds laat, na onze dagtaak. Nu zijn we met 900 en wordt de openingstoespraak gehouden door Juan Somavia, voorzitter van de IAO. BIEN is blijkbaar een respectabele denk- en actiegroep aan het worden.''

De toespraak van Somavia, een van de absolute topdiplomaten in het circuit van de Verenigde Naties, was alleszins een opsteker voor de BIEN-adepten. De Chileen had het over zijn droom om ,,door economische herverdeling één dollar per dag extra te kunnen geven aan de 1,2 miljard mensen die met minder dan een dollar moeten zien te overleven. Nu leven ze, maar bestaan ze niet. Zonder koopkracht. Zonder plaats op de wereldmarkt.''

Somavia eindigde optimistisch: ,,Misschien is het ogenblik waarop ideeën als het basisinkomen gemeengoed worden, wel dichterbij aan het komen.''

Het klonk de bonte groep aanhangers van het basisinkomen als muziek in de oren. Want erg homogeen is de BIEN-groep niet. ,,Dat maakt onze rijkdom uit'', meent Roland Duchâtelet. ,,Liberalen komen bij ons, vanuit hun visie, tot eenzelfde standpunt als marxistische denkers, christelijke welzijnswerkers evenzeer als zakenlui. Latijns enthousiasme gaat samen met Germaanse nuchterheid, ethische bewogenheid met academische logica.''

Maar het grote ideaal -- de invoering van een (liefst wereldwijd) basisinkomen voor elke burger, ongeacht status, scholing, of job -- is zelfs volgens de die hards niet haalbaar. Zoeken naar een pragmatische aanpak, naar haalbare doelstellingen: dat was dé boodschap in Genève.

Maar wat is haalbaar? Welke vorm van of variant op het basisinkomen maakt een kans? En wat bestaat er al?

Voor Guy Standing, IAO-directeur en een van de steunpilaren van het BIEN-netwerk, staat één zaak vast: ,,Goed sociaal beleid heeft niets aan onrealistische standpunten en veronderstellingen. Er is om te beginnen nood aan studiewerk. Aan harde feiten.''

Aan studies was er in Genève alvast geen gebrek. Ruim 150 sprekers hadden er (minstens) eentje bij.

Over belastingkredieten, bijvoorbeeld, zoals de negatieve inkomstenbelasting, waarbij de fiscus geld betaalt aan wie te weinig inkomen heeft om belastingen te moeten betalen. Die formule is in heel wat westerse landen al uitgeprobeerd. Experimenten in de Verenigde staten, in het begin van de jaren zeventig, bleken geen onverdeeld succes. Pas dertig jaar later is het debat over dit fiscale basisinkomen weer een topic in de Amerikaanse politiek, dankzij de groene partij van Ralph Nadar.

De puristen van het basisinkomen lopen niet warm voor een negatieve inkomstenbelasting. ,,Het gaat om een erg selectieve uitkering, op basis van een inkomensonderzoek. Niet om een onvoorwaardelijk recht, los van inkomen of maatschappelijk statuut'', heet het.

Professor Philippe Van Parijs pareert de kritiek dat een onvoorwaardelijk basisinkomen ook ten goede komt aan rijke burgers, die het niet nodig hebben. ,,Dat is de consequentie van het systeem. Iedereen gelijk voor de wet. Het weggegooid geld is in ieder geval kleiner dan de uitgaven die we nu moeten doen aan administratieve controle op wie uitkeringen krijgt en wie niet.''

Studies door het Antwerpse Centrum voor Sociaal Beleid (CSB) bewijzen dat sociale uitkeringen ook nu al naar welvarende gezinnen gaan. ,,In een sociaal verzekeringssysteem -- dat tijdelijk een inkomen waarborgt op basis van vroeger betaalde bijdragen -- is het normaal dat ook in gezinnen met een hoog inkomen de werkloze partner een uitkering krijgt,'' zegt Ive Marx. ,,Zo blijkt dat liefst 40 procent van alle werkloosheidsuitkeringen in België terecht komt bij gezinnen in de bovenste helft van de inkomensgroepen, in de top-5 inkomensdecielen.''

Over de definitie van armoede, en de relativiteit ervan, blijven de discussies oplaaien, ook binnen de BIEN-groep. ,,In de Europese Unie wordt elk gezin met een inkomen lager dan 5.000 euro per jaar als extreem arm gecatalogeerd'', aldus Yannick Vanderborght, medewerker van van Parijs. ,,Maar in Oost-Europa boer je daarmee behoorlijk goed. En in de ontwikkelingslanden ben je met dat bedrag een seigneur . Wat beogen we eigenlijk met het basisinkomen? Honger uit de wereld helpen? Extreme armoede bestrijden? Of sociale en economische ongelijkheid wegwerken? Dat scheelt, want in het westen is de gemiddelde levensstandaard die van de tweeverdieners geworden.''

Ive Marx van de CSB-studiegroep berekende dat 77 procent van de Belgische werklozen niet afhankelijk is van zijn/haar uitkering als voornaamste bron van (gezins)inkomen. ,,In het gezin is er dus meestal nog een partner met een jobinkomen, meestal de man. Maar zonder uitkering zou niettemin een kwart van deze werklozen onder de armoedegrens belanden. En bij gezinnen die volledig afhankelijk zijn van de werkloosheidsuitkering en de kinderbijslagen leeft 60 procent onder de armoedegrens. Het zijn vooral eenoudergezinnen en alleenstaanden.''

Misschien wel de meest prangende discussie binnen het BIEN-netwerk gaat over de loskoppeling van het recht op basisinkomen en de plicht om daarvoor te werken.

,,Het nastreven van volledige werkgelegenheid, in de klassieke betekenis van betaalde arbeid, is een utopie,'' meent Guy Standing. ,,Meer jobs is uiteraard goed en wenselijk, maar onvoldoende als oplossing voor alle armoede en ongelijkheid. Het klassieke arbeidsethos doet trouwens alle andere vormen van arbeid en sociaal nuttige activiteiten onderwaarderen. En dat is niet terecht.''

Ive Marx draagt bewijzen aan voor de stelling dat meer werkgelegenheid niet automatisch minder armoede meebrengt. ,,Ondanks de daling van de werkloosheid, de creatie van bijkomende jobs en min of meer constant gebleven sociale uitgaven zijn armoede en sociale ongelijkheid niet afgenomen in de Oeso-landen. Integendeel.''

Volgens Marx ,,klopt het dat in elk westers land de armoede minder frequent voorkomt bij gezinnen met een inkomen uit werk dan bij werklozen''. Maar de koppeling heeft zijn grenzen. In de VS is het relatieve armoedepercentage van de bevolking (17 procent) tweemaal zo hoog als in Duitsland of Frankrijk (8 procent) en driemaal hoger dan in België (6), hoewel de werkgelegenheidsgraad in de VS op liefst 73 procent ligt en bij ons bijvoorbeeld slechts op 55 procent. België combineert dus een relatief lage werkgelegenheid met een lage armoedegraad.

Meer, zegt Marx, ,,de drie sterkste groeiers inzake werkgelegenheid in de jaren tachtig en negentig hebben tegelijk hun armoedecijfers zien stijgen! Dat geldt voor Nederland, Ierland en Japan. Verklaring: de jobaangroei komt vaak gezinnen ten goede waar al een jobinkomen bestaat, plus nieuwkomers op de arbeidsmarkt, zoals schoolverlaters. Gezinnen met één inkomen worden nu gezinnen van tweeverdieners, vaak met een deeltijdse job voor de vrouw. Maar de gezinnen zonder werk zijn vaak zonder werk blijven zitten en de inkomenskloof met de werkende gezinnen is nog groter geworden dan voorheen.''

Nog meer cijferwerk. Landen met veel lagelonenverdieners tellen relatief meer werknemers die -- ondanks hun job -- niet boven de armoedegrens uitsteken. ,,Maar die groep mag ook niet overroepen worden. Niet alle lagelonenwerkers zitten in de armoede, zowat 10 procent. De VS en Canada scoren met 25 procent inderdaad beduidend hoger, maar de West-Europese landen liggen tussen 10 en 5 procent; voor ons land is dat 7 procent. Conclusie: veel lagelonenverdieners wonen in een gezin met een tweede verdiener (of inkomen) zodat de levensstandaard behoorlijk tot goed is.''

Maar loont het om te gaan werken? Of zijn onze uitkeringen al niet zodanig dat ze de facto een basisinkomen uitmaken? Uit Oeso-studies blijkt dat een werkloze kostwinner met partner zonder inkomen en twee kinderen, die dus een maximumuitkering krijgt, slechts 9 procent aan inkomen wint door een job te vinden aan het minimumloon. Meer, een alleenstaande moeder met twee jonge kinderen zou zelfs een inkomensverlies van 6 procent lijden, de fameuze werkloosheidsval, mede als gevolg van de kosten van kinderopvang. ,,Het is voor hen financieel gewoon niet interessant genoeg om op zoek te gaan naar werk'', besluit Roland Duchâtelet.

Het relatieve belang van jobcreatie in de bestrijding van armoede en ongelijkheid, sterkt de aanhangers van het basisinkomen in hun gelijk. Ze verwijzen naar het ,,participatie-inkomen'' als pragmatische tussenstap. Een basisuitkering voor iedereen, in ruil voor enkele uren gemeenschapsdienst per week. In Frankrijk bestaat een variant met le revenu minimum d'insertion , of integratie-uitkering, een realisatie van wijlen president Mitterand.

Ze verwijzen naar bestaande ,,aanzetten tot een basisinkomen''. Voorbeelden die bewijzen dat de invoering ervan geen big bang moet inhouden, maar een gefaseerde beleidsombuiging.

In Brazilië bijvoorbeeld heeft de populaire senator Eduardo Suplicy steun gekregen voor de uitbetaling van een uitkering aan 5 miljoen families met schoolgaande kinderen. Het geld gaat rechtstreeks naar de moeders, ,,omdat het op die manier naar voedsel en onderwijs zal gaan''. ,,Dergelijk programma versterkt de positie van de vrouw in de ontwikkelingslanden en geeft ze eindelijk erkenning voor hun centrale rol in het huishouden en de opvoeding'', zegt Suplicy. Trouwens, merkte een congresdeelneemster uit de VS op: ,,Vrouwen werken altijd, ook als ze niet betaald worden. Mannen werken alleen als ze betaald worden.''

In Zuid-Afrika loopt een campagne voor de invoering van een basispensioen voor iedereen, ook voor wie altijd in het informele (zeg maar zwarte) circuit heeft gewerkt. Opvallend is dat de campagne gesteund wordt door de vakbonden. In het westen leggen de vakbonden nog altijd zwaar de nadruk op de koppeling tussen werk en inkomen.

Dichter bij huis, in Ierland, is de regering klaar met een 50 bladzijden dik document over het basisinkomen. De tekst is tot stand gekomen onder druk van sociale organisaties en de verbazend invloedrijke Conference of Religious, een koepelorganisatie van religieuze groeperingen, met de charismatische priester Sean Healey als spreekbuis. ,,Nu bedraagt de laagste uitkering in Ierland 118 euro per week. Omdat de armoede blijft stijgen, moet die omhoog naar 150 euro, zegt de regering. dat gaat al aardig in de richting van een basisinkomen, al zal de regering het nooit zo noemen. Het is alsof we er struikelend, via de achterdeur, toe gekomen zijn. Dat geeft niet.''

Over de financiering van het basisinkomen maken de BIEN-leden zich weinig zorgen. Ze vertrouwen op de gekende voorstellen van alternatieve inkomensherverdeling: milieutaksen, taksen op kapitaalspeculatie, ed. En op de herverdeling, niet verhoging van de bestaande sociale uitgaven.

Ze wijzen ook op de economische mogelijkheden. In Alaska keert een door de overheid beheerd kapitaalfonds, gestijfd met de opbrengsten van de ontginning van olie en gas, aan alle inwoners van de staat een dividend uit van bijna 2.000 dollar per jaar. Enige voorwaarde is in Alaska wonen. De storting van het dividend gebeurt vlak voor Kerstmis, waardoor het geld -- dankzij de kerstinkopen -- bijna integraal en snel terugvloeit naar de lokale economie.

Waar staat België in dit alles? Duchâtelet: ,,Wat gaat al in onze richting? Het artiestenstatuut bijvoorbeeld, het PWA-systeem voor bijklussende werklozen, het leefloon voor jongeren, het tijdskrediet eigenlijk ook. Bovendien is onze sociale zekerheid steeds meer gaan gelijken op sociale bijstand, los van eerder betaalde bijdragen. Kijk maar naar de werkloosheidsuitkeringen, die onbeperkt zijn in de tijd. Zo utopisch is het dus allemaal niet.''