Wie de gepensioneerden weet gerust te stellen, kan verkiezingen winnen. Louis Tobback toonde dat in 1995 vanuit een ogenschijnlijk verloren positie aan. Johan Vande Lanotte kan het hem over enkele jaren nadoen -- als dan nog wordt gesproken over het demografische reservefonds waarmee hij de bijkomende kosten van de vergrijzing wil opvangen.

Belgie zal in 2030 naar verwachting ongeveer 900.000 gepensioneerden meer en ongeveer 80.000 werknemers minder hebben dan nu. De smaller wordende basis van actieven waarop de piramide rust, zal de pensioenen en de oplopende kosten van gezondheidszorg van de ouderen moeten betalen. Tevens krijgt ze de lasten te torsen van de staatsschuld, die in verhouding tot de omvang van de economie weliswaar sinds enkele jaren krimpt, maar niettemin tot de hoogste ter wereld blijft behoren. En dan zijn er nog alle overige overheidsuitgaven.

Een nota van de Nationale Bank van oktober 1998, waarop minister van Begroting Johan Vande Lanotte (SP) zich steunt, raamt de weerslag van de vergrijzing tussen 2010 en 2030 bij ongewijzigd beleid op 4,8 procent van het bruto binnenlands product, rekening houdend met de verwachte vermindering van de uitgaven voor kinderbijslag, werkloosheid en brugpensioen.

De nota gaat uit van een economische groei van 1,75 procent per jaar, van een verdere reële aangroei (boven index) van de uitgaven voor gezondheidszorg van 3,5 procent per jaar, en van een welvaartsaanpassing van de pensioenen van een half procent per jaar.

Tot dusver berustte de beleidsaanpak op de overtuiging dat maximale schuldverlaging de beste manier was om ervoor te zorgen dat de kosten van de vergrijzing kunnen worden betaald. Als die inspanning zou verslappen, komen de lasten van de schuld namelijk in concurrentie met de oplopende uitgaven van pensioenen en gezondheidszorg.

Het voorstel van de minister van Begroting om binnen de sociale zekerheid een Zilverfonds aan te leggen waaruit vanaf 2010 geleidelijk kan worden geput om de bijkomende kosten van de vergrijzing te dragen, wil de schuldverlaging meteen daarvoor reserveren. In de hiërarchie der prioriteiten, zegt hij, komt dat vóór al de rest.

Het wekt alvast een wijze indruk. Reserves aanleggen voor de toekomst: niemand kan daar tegen zijn, althans zolang het niet in botsing komt met de eigen, onmiddellijke verzuchtingen.

Het zal bovendien de SP-kiezers, die tot de rijpste van het land behoren, goed uitkomen dat een aanzienlijk deel van de toekomstige collectieve middelen onttrokken wordt aan de politieke touwtrekkerij: eerst het geld voor de pensioenen en overige kosten van de veroudering opzij zetten; daarna kan eventueel gepraat worden over de verlanglijstjes van de andere regeringspartijen, zoals de belastingverlaging die de liberale partijen hun kiespubliek zo graag willen cadeau doen. Geen wonder dat er tegenwind komt van de PRL-minister van Financiën, Didier Reynders.

Didier Reynders toont zich echter voorzichtig. Gezien de voortdurend groter wordende groep grijze kiezers, is het ook delicaat tegen zo'n voorstel in te gaan. Maar zo aantrekkelijk als het omheinen van een chasse gardée inzake pensioenen en gezondheidszorg voor de socialisten is, zo onaantrekkelijk is het voor de overige regeringspartijen.

Het valt te begrijpen dat Vande Lanotte niet wachtte tot er in de schoot van deze heterogene regering een hoogst hypothetisch akkoord over bereikt zou worden om ermee naar buiten te komen. Men ziet de coalitiepartners, die ook van toekomstige regeringen deel kunnen uitmaken, zich niet naar zijn wensen schikken. Dat belet niet dat de denkoefening interessant is.

Wat zijn, afgezien van de electorale bijbedoelingen, de intrinsieke verdiensten van het voorstel-Vande Lanotte? Een essentiële vraag is of het de budgettaire lat hoger legt.

Als dat niet zo is, gaat het alleen over een boekhoudkundige afsplitsingsoperatie, die overigens toekomstige regeringen niet erg bindt. Het maakt in feite geen verschil uit of de overheid doorgaat met het verlagen van de verhouding schuld/bruto binnenlands product (bbp), dan wel of ze de bedragen die ze op de schuld uitspaart, in een apart fonds stort. De schuldquote is de jongste jaren verlaagd van 135 tot 115 procent van het bbp; het zou aan de geconsolideerde schuldpositie van het land niets hebben veranderd als een bedrag gelijk aan die reductie van 20 bbp-punten in een pot was gestopt en de schuld ongewijzigd was gebleven.

Het wordt helemaal een vestzak-broekzakoperatie als de middelen van het fonds, zoals in het voorstel bepaald, belegd worden in Belgische overheidsobligaties, tegen de rente die anders op de uitgespaarde schuld (niet) zou zijn betaald. De situatie verandert echter als de vorming van het Zilverfonds gekoppeld wordt aan ambitieuzere begrotings- en schulddoelstellingen. En die indruk wordt in de bij het voorstel gevoegde tabellen inderdaad gewekt. De overheidsschuld, exclusief het fonds, zou nog verwonderlijk snel afnemen. Dit houdt in dat na 2002 een aanzienlijker begrotingsoverschot in stand wordt gehouden dan tot dusver was gepland. Het valt natuurlijk af te wachten wat daarvan in de praktijk terechtkomt.

Daar staat tegenover dat nu ten onrechte de indruk wordt gewekt dat niet langer pensioenhervormingen nodig zijn.

De wettelijke pensioenen zullen in de komende decennia naar alle waarschijnlijkheid voortdurend krimpen in verhouding tot de inkomens van de actieven. Als een welvaartsaanpassing van een half procent per jaar wordt doorgevoerd, zoals de Nationale Bank veronderstelt, wordt de inkomenskloof met de actieven gestadig groter.

Een werkdocument van het IMF, dat de Belgische onderzoekers Etienne de Callatay en Bart Turtelboom in 1996 opstelden, raamde uitgaande van de hypothese van 1,5 procent jaarlijkse groei en 2 procent inflatie het gemiddelde pensioen voor een werknemer uit de particuliere sector in 2030 op 1.163.000 frank, wat zou neerkomen op 29 procent van het dan geldende gemiddelde loon vóór belasting. Vandaag is dat nog 36 procent. Voor gepensioneerde werknemers van de publieke sector zou het gemiddelde pensioen over dertig jaar 2.637.000 frank bedragen, of 61 procent van het gemiddelde ambtenarensalaris (tegen 58 procent nu).

In die bedragen zit, het weze herhaald, dertig jaar bescheiden maar cumulatief toch niet onaanzienlijke inflatie. Zeker werknemers uit de particuliere sector die het met het laagste wettelijke pensioen moeten stellen, zullen dat graag aangevuld zien met een of andere vorm van collectief of privé-sparen.

Bovendien zou best worden gewerkt aan de actuariële neutraliteit van het pensioenstelsel, zodat van degenen die langer werken niet langer solidariteit wordt gevraagd met degenen die er vroeger mee ophouden -- en die niet noodzakelijk de minder bedeelden zijn. Dit houdt in dat wie op 60 of 55 stopt met werken, een lager pensioen hoort te krijgen dan wie tot 65 werkt.

En daaraan kan nog de onhoudbaarheid van de aanpassing (,,perequatie'') van de ambtenarenpensioenen aan de algemene loonstijging worden toegevoegd, waaraan diverse regeringen al iets hadden willen doen als ze het hadden aangedurfd.

Ook als het Zilverfonds er zou komen, houdt het dus nog niet het einde van de pensioendiscussie in.