Voor de Europese beleidsmakers zijn de juiste voorwaarden aanwezig om een einde te maken aan de troosteloze economische prestaties van de jaren negentig. Een analyse van Martin Wolf.

Is het grote moment nu eindelijk aangebroken voor Europa? Dat zei de ijdele Luxemburgse minister van Buitenlandse Zaken, Jacques Poos, toen hij bij het begin van de oorlog in het voormalige Joegoslavië een grotere rol weggelegd zag voor de buitenlandse politiek van de EU.

Hij kreeg al gauw op een pijnlijke manier het deksel op de neus. Maar vandaag rijst dezelfde vraag opnieuw, zij het dan op het vlak van de Europese economie. En het antwoord is: misschien wel, ja. Maar dan moeten de Europese beleidsmakers de hun aangeboden kansen wel met beide handen grijpen.

In het grootste deel van het Europese vasteland (maar ook niet overal) zijn de economische prestaties in de jaren negentig maar pover geweest. De jaren negentig waren het eerste decennium sinds de Tweede Wereldoorlog waarin de productiegroei, gemeten per eenheid product en per eenheid kapitaal , minder hard ging dan in de Verenigde Staten. Het werkloosheidscijfer is na 1991 nooit onder 8,3 procent van het aantal arbeidskrachten gedaald, terwijl het in de Verenigde Staten nooit meer heeft bedragen dan 7,5 procent en nu op 4,1 procent ligt.

Dat schrille contrast zet Amerikaanse beleidsmakers ertoe aan de Europeanen advies te geven. Vorige week nog merkte de Amerikaanse minister van Financiën, Larry Summers, op dat ,,de investeringen in vaste activa in reële termen sinds 1991 met maar 10 procent zijn toegenomen in de eurozone. In de Verenigde Staten zijn ze bijna verdubbeld''. Bovendien duurt het gemiddeld ,,twaalf keer langer om in Europa een zaak te beginnen dan in de VS en kost het vier keer zoveel''. Zoveel eigendunk is misschien wel irritant, maar geenszins ongegrond.

Toch is er ook ruimte voor optimisme. Drie veranderingen hebben de basis gelegd voor betere economische prestaties in de komende eeuw. Ten eerste is de economie er in de aanloop naar de monetaire unie flink op vooruit gegaan. Het structurele begrotingstekort van de lidstaten van de eurozone is van 5,3 procent van het bruto binnenlands product in 1990 gezakt naar ongeveer 1 procent vorig jaar.

De inflatie, zoals aangegeven in de bbp-deflator, is van 4,7 procent in 1991 gezakt tot zo'n 1,3 procent vorig jaar. De nominale rentevoet op overheidsobligaties met een looptijd van tien jaar bedraagt 5,5 procent. Dat is een flink stuk onder de 6,9 procent in de Verenigde Staten.

Ten tweede is er een hele privatiserings- en dereguleringsgolf geweest. Die deregulering is nog verre van afgewerkt, vooral dan op het vlak van de arbeidsmarkt. Dat blijkt duidelijk uit de belachelijke eis van de Duitse vakbond IG-Metall om een loonsverhoging van 5,5 procent. Maar vergeet toch maar niet dat de hervormingen in de telecommunicatie- en de energiesector tien jaar geleden nog haast ondenkbaar waren.

Ten derde is er de lancering van de euro, en die is goed verlopen. Niet iedereen is daarvan overtuigd, maar dat is alleen omdat er veel te veel aandacht besteed wordt aan de externe zwakheid van de euro. Die is sinds de lancering immers met 15 procent in waarde gezakt tegenover de dollar. Maar als de zwakte van een munt echt een symptoom van een terminale ziekte was, dan had de dollar aan het einde van de jaren zeventig en bij het begin van de jaren tachtig ook voorgoed afgeschreven moeten zijn. Het zou dus even stom zijn om de euro of de eurozone nu voorgoed af te schrijven.

De algemene economische prestaties, daar gaat het om. En op dat vlak hebben we vorig jaar goed nieuws gehad. Vooral de Europese Centrale Bank verdient een pluim. De officiële renteverlaging in april van 3 tot 2,5 procent en de daarop volgende verhoging tot drie procent in oktober zijn verdedigbare maatregelen, hoewel de laatste van de twee een beetje te voorzichtig lijkt.

Maar de yield curve (rentestructuur) vertoont een steil omhoog lopende lijn. Dat betekent dat het monetaire beleid een stimulerend karakter blijft hebben.

En dat is maar goed ook, want de stijging van het headline-inflatiecijfer tot 1,5 procent op jaarbasis in november, gebaseerd op de geharmoniseerde index van de consumptieprijzen, is te wijten aan een tijdelijke stijging van de energieprijzen.

De combinatie van een los monetair beleid met een zwakke wisselkoers heeft de economie in de eurozone een flinke duw in de rug gegeven. De productie in de hele eurozone is vorig jaar met maar twee procent gestegen. Dat is grotendeels te wijten aan de zwakke prestaties in Duitsland en Italië.

Maar de groei gaat wel steeds harder. In haar jongste Economische Vooruitzichten voorspelt de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) een productiegroei van bijna drie procent in 2000 en 2001. En dat cijfer is dan misschien nog wat pessimistisch.

Veel belangrijker dan de kortermijnimpact van een stimulerend monetair beleid zijn de langetermijngevolgen van de euro. De hoofdrolspelers in de lancering van de euro zeggen dat de euro een turbomotor zal zijn voor de eenheidsmarkt.

In een interessante recente studie voor het Londense Centre for Economic Policy Research onderschrijft Andrew Rose van de Haas School of Business in de University of California die stelling. Hij heeft bestaande monetaire unies bestudeerd en stelt vast dat ,,twee landen die dezelfde munt hebben drie keer zoveel handel drijven als ze zouden doen met twee verschillende munten''.

Je kunt een heleboel argumenten opwerpen tegen die stelling. Hij heeft telkens gevallen bestudeerd waarbij een land een monetaire unie vormde met kleinere landen. Bovendien hoeft een hele grote stijging van de handel niet noodzakelijk een overeenkomstig effect te hebben op het reële inkomen in landen die sowieso al helemaal openstaan voor handel. Toch wijzen de resultaten van de studie erop dat de langetermijnimpact van de euro op de interne concurrentie wel eens verrassend groot zou kunnen zijn.

In dat geval zullen Europese politici gauw tot de conclusie komen dat ze, zoals Frankenstein, een monster hebben gecreëerd. Maar dat monster zou wel eens veel goeds kunnen doen als het de ouderwetse structuren van de eurozone onderuithaalt.

Kijken we maar naar de jongste golf van fusies en acquisities. In 1995 waren die volgens JP Morgan goed voor 96 miljard dollar (ruim 3.800 frank), 1998 voor 327 miljard dollar (ruim 13.000 miljard frank) en vorig jaar 707 miljard dollar (ruim 28.150 frank). De fusie- en acquisitie-activiteit in de eurozone is tussen 1995 en 1999 met meer dan 600 procent toegenomen, in de VS met 250 procent.

Zullen we in het eerste decennium van de nieuwe eeuw getuige zijn van een Europese economische renaissance? Zelfs de allergrootste sceptici zullen moeten toegeven dat dat niet helemaal ondenkbaar is.

Dat wordt benadrukt door de directe oorzaak van de zwakte van de euro. De eurozone heeft vorig jaar tussen januari en oktober een netto-kapitaalvlucht van 149 miljard euro (6.010 miljard frank) gekend in directe investeringen en beleggingen.

Daarmee is het huidige overschot op de lopende rekening van 38 miljard euro (1.532 miljard frank) meer dan tenietgedaan. Deze kapitaalvlucht heeft op zijn beurt dan weer te maken met de langetermijnzwakte van de bruto vaste kapitaalvorming. Die is in de jaren negentig gedaald van 23 naar 19 procent van het bruto binnenlandse product.

De eurozone moet de vicieuze cirkel van slappe investeringen, lage productiegroei, lage productiviteitsstijgingen en te kleine werkgelegenheidsgroei doorbreken. De beleidsveranderingen van de jaren negentig hebben daar alvast de funderingen voor gelegd. De langverwachte herstructureringen beginnen nu ook. De regeringen moeten nu, in deze periode van hernieuwde groei, de overblijvende hindernissen uit de weg ruimen die nieuwe investeringen, innovatie en werkgelegenheid in de weg staan. Er ligt een gouden kans voor het grijpen. Die kans mogen ze niet voorbij laten gaan.

Copyright Financial Times