Voor de eerste keer sinds de geboorte van de euro vorig jaar in januari komt de inflatie in de eurozone dicht bij de twee procent op jaarbasis. Voor de Europese Centrale Bank is die twee procent het plafond voor prijsstabiliteit. In Frankrijk en Duitsland zijn de prijsstijgingen bescheiden. Maar Italië, Spanje en Portugal kunnen voor problemen zorgen.

De hogere energieprijzen en de lage externe wisselkoers van de euro zouden de inflatie van de consumptieprijzen doen stijgen van 1,5 procent in november, de laatste maand waarvoor er cijfers beschikbaar zijn, tot 1,8 procent of meer in januari en februari.

Maar veel economen geven aan dat de onderliggende prijsdruk nog mild is in de meeste van de 11 landen van de regio, voornamelijk in de twee grootste landen Frankrijk en Duitsland.

Volgens hen is het echte probleem voor de ECB en de regeringen van de eurozone subtieler. Het risico bestaat dat drie landen -- Italië, Portugal en Spanje -- de komende tien jaar constant een hogere inflatie zullen kennen dan hun partners in de eurozone. Dat kan het vermogen van de eurozone om samen te blijven op de proef stellen.

Volgens Consensus Forecasts, dat maandelijks een overzicht geeft van meer dan 200 prominente conjunctuuranalisten, zal de inflatie in de eurozone dit jaar gemiddeld 1,6 procent bedragen, tegen 1,1 procent in 1999.

Maar dat cijfer verbergt verschillen in tijd en plaats. De inflatie, met inbegrip van energie- en voedselprijzen, zou begin dit jaar de twee procent benaderen en dan dalen, gedeeltelijk omdat de hogere olieprijzen van vorig jaar uit de index worden gehaald. Tegen het einde van het jaar kan de inflatie opnieuw beginnen stijgen, voornamelijk door een hogere vraag en een dalende importconcurrentie. Dat geeft bedrijven misschien de kans om hun prijzen te verhogen.

Belangrijker zijn de verschillen die blijven bestaan tussen de inflatiepercentages van individuele landen. Frankrijk noteerde vorig jaar zijn laagste inflatie sinds 1954: 0,5 procent. Volgens Consensus Forecasts zou het land een gemiddelde inflatie van 1,1 procent kennen.

In Duitsland zou de inflatie dit jaar gemiddeld 1,4 procent bedragen, tegenover 0,7 procent in 1999. Verwacht wordt dat de prijsstijgingen even laag zijn in België en Oostenrijk, twee landen die nauw verbonden zijn met de Franse en Duitse economie.

Maar de verwachting is dat in Italië, Portugal en Spanje de gemiddelde inflatie dit jaar respectievelijk 1,9, 2,5 en 2,3 procent zal bedragen, in vergelijking met 1,7, 2,3 en 2,2 procent in 1999.

Voor het succes van een monetaire unie is het niet nodig dat de inflatiepercentages overal dezelfde zijn. Dat blijkt in de VS, waar voortdurende verschillen tussen de percentages van individuele staten en zelfs steden niet ongewoon zijn.

Toch wijst de hogere inflatie in Italië, Spanje en Portugal op een productiviteitskloof tussen die landen en de Frans-Duitse kern van de eurozone. Dat kan op lange termijn vragen oproepen over het vermogen van het zuiders trio om te concurreren met hun buren.

In Italië werd dat gevaar vorig jaar nog openlijk onderstreept door de werkgeversfederatie Confindustria en door Romano Prodi, voorzitter van de Europese Commissie. In Spanje drukten werkgevers in het industriële Baskenland vorige week dezelfde bezorgdheid uit.

Volgens Stéphane Déo van de investeringsbank Goldman Sachs, lag de productiviteit in 1990 in Italië 33 procent, in Spanje 42 procent en in Portugal 80 procent lager dan in Duitsland. Tegen 1999 was de kloof verkleind tot 25 procent voor Italië, 35 procent in Spanje en 76 procent in Portugal. Alle andere landen van de eurozone hadden hun productiviteit op 10,5 procent of minder van het Duitse niveau gebracht.

Als de zuiderse landen dezelfde productiviteitsgroei aanhouden als in de jaren negentig, dan heeft Italië 18 jaar, Spanje 34 jaar en Portugal 74 jaar nodig om op 10 procent van Duitsland te komen.

Omdat verschillen in productiviteitspercentages in een monetaire unie tot uiting komen in verschillende inflatiepercentages, zullen Portugal, Spanje en Italië waarschijnlijk gedurende vele jaren hogere inflaties kennen dan de kernlanden van de eurozone.

Bovendien wordt het vermogen van de regeringen in Rome, Lissabon en Madrid om het probleem aan te pakken, beperkt door de macht van de ECB om intrestvoeten te bepalen voor de hele eurozone.

Stephen Lewis, econoom bij Monument Derivatives in Londen, verwacht problemen. Hij zegt dat het verschil in economische groei en inflatie binnen de eurozone ,,een veel groter gevaar vormt voor het 'succes' van de euro dan de daling van de wisselkoers. Het unitaire monetaire beleid van de eurozone zal het komende jaar nog meer spanningen teweegbrengen binnen de zone''.

Copyright Financial Times