BRUSSEL -- Achter de algemene ontwikkeling op de arbeidsmarkt gaan aanzienlijke verschillen schuil als wordt ingezoomd op de verschillende provincies. Een overzicht.

  • West-Vlaanderen -- Althans vanuit het standpunt van de werkzoekende, functioneert de arbeidsmarkt in West-Vlaanderen prima. De arbeidsreserve (het aantal werkzoekenden) is er vorig jaar nog verder gedaald, terwijl er steeds meer vacatures bijkomen.
  • Zeker in de regio Kortrijk-Roeselare is de krapte acuut. In 1999 waren er in deze regio 11.400 niet-werkende werkzoekenden voor 3.300 vacatures bij de VDAB. Als je daarbij in rekening neemt dat de VDAB voor ongeveer een vijfde van alle vacatures als wervingskanaal wordt gebruikt, was het aantal vacatures in de regio vorig jaar voor het eerst waarschijnlijk groter dan het aantal werkzoekenden. Met de gunstige conjunctuur lijkt die verhouding alleen nog te zullen toenemen.

    Nochtans is de situatie niet overal in de provincie even rooskleurig. Het verschil tussen het noorden en het zuiden van West-Vlaanderen valt op. Met name de kuststrook telt veel werklozen en weinig werkende inwoners. De kloof neemt zelfs nog toe, van een inhaalbeweging is hier geen sprake.

    De kansen op een job zijn ook ongelijk verdeeld over de bevolkingsgroepen. De grootste moeilijkheden hebben ongeschoolde vrouwen. Hun werkgelegenheidsgraad ligt op 40 procent, de werkloosheidsgraad op 18 procent, tegenover 66 procent en respectievelijk 7 procent als gemiddelde voor de hele bevolking van de provincie. West-Vlaanderen telt nog net 30.000 werkzoekenden.

  • Oost-Vlaanderen -- De jobmarkt draait in deze provincie op volle toeren. In 1998 overschreed de werkgelegenheid er de kaap van het half miljoen jobs en de groei zette zich vorig jaar door. De officiële arbeidsreserve is gekrompen tot 53.000 werkzoekenden. Sinds 1998 is dat ook echt het gevolg van jobcreatie en niet alleen meer van de schrapping van sommige werkzoekenden uit de statistieken.
  • Toch blijft Oost-Vlaanderen nog met een achterstand kampen tegenover de rest van Vlaanderen. De werkloosheidsgraad lag er met 9 procent in 1998 boven het Vlaamse gemiddelde. Bovendien heeft Oost-Vlaanderen meer dan andere provincies een minder zichtbare arbeidsreserve: vrijgestelden van stempelcontrole op basis van leeftijd, bruggepensioneerden, deeltijds werkenden, PWA-ers,..

    Tevens zijn de traditionele groepen werklozen die moeilijk werk vinden (laaggeschoolden, vrouwen, migranten, jongeren, ouderen), er groter dan elders. Dé kans om de krapte op de arbeidsmarkt te ondervangen zit voor Oost-Vlaanderen daarom in een betere integratie van deze kansarmen.

  • Antwerpen -- Ook Antwerpen kon de afgelopen jaren sterk profiteren van de gunstige conjunctuur. De werkloosheid daalde er, zij het iets trager dan in de voorgaande jaren en ook iets minder dan in Vlaanderen. Tegelijk steeg het aantal openstaande vacatures, zodat de krapte op de arbeidsmarkt nooit zo sterk is geweest als vorig jaar.
  • De provincie heeft 10 procent meer loontrekkende jobs dan wat mag worden verwacht bij een gelijkmatige spreiding van de werkgelegenheid over het Vlaamse grondgebied. En dat geldt voor alle sectoren. Zowel in de industriële sector, de dienstensector als de non-profitsector is de werkgelegenheid er beter ontwikkeld dan gemiddeld in Vlaanderen. Met gemiddeld iets meer dan 8 werkzoekenden per VDAB-vacature is de arbeidsmarkt er iets minder gespannen dan elders in Vlaanderen.

    Maar ook hier is niet alles positief. De nog 59.000 werklozen omvatten vooral kansarmen: laaggeschoolden, jongeren en niet-Belgen. Bij de niet-Belgen van buiten de Europese Unie nam de werkloosheid zelfs nog licht toe. Hier is de dualisering op de arbeidsmarkt klaarblijkelijk het sterkst.

  • Vlaams-Brabant -- Nergens in Vlaanderen is de spanning op de arbeidsmarkt groter dan in Vlaams-Brabant. Vorig jaar registreerde de VDAB er nog slechts drie werkzoekenden voor elke VDAB-vacature. De werkloosheid bedraagt er nog 6 procent van de beroepsbevolking.
  • De werkgelegenheidsgroei is sterk geconcentreerd in de dienstensector, die ruim drie kwart van de investeringen naar zich trekt. Het gaat vooral om bedrijfsdiensten, groothandel en de vervoersector. De industrie takelde de voorbije jaren af, met de sluiting van Renault-Vilvoorde als markantste voorbeeld. Ook in de chemische en in de bouwnijverheid gingen er banen verloren.

    De werkgelegenheid is in Vlaams-Brabant bovendien sterk geografisch geconcentreerd. Brussel is uiteraard een sterke aantrekkingspool met veel pendelverkeer. Liefst 31 procent van de werkende bevolking in Vlaams-Brabant pendelt naar Brussel. Daarnaast zijn Zaventem, Machelen en Leuven uitgesproken werkgelegenheidspolen.

  • Limburg -- Hoewel de Limburgse werkloosheid al twee jaar na elkaar sterker daalt en de jobgroei er groter was dan in de rest van Vlaanderen, blijft de globale situatie er slechter dan gemiddeld. Limburg telt nog altijd minder jobs, minder werkende inwoners en meer werklozen dan de overige Vlaamse provincies.
  • Bepaalde risicogroepen worden extra hard getroffen. Vrouwen, zeer langdurig werklozen en werklozen van vreemde nationaliteit behoren tot de kwetsbaarsten. Het werkloosheidsrisico voor jonge of laaggeschoolde vrouwen ligt in Limburg op 25 tot 30 procent, tegenover 20 tot 23 procent in de rest van Vlaanderen. Limburgse werkgevers ervaren vooral een tekort aan technisch personeel. De uitstroom uit het technisch onderwijs voldoet immers niet aan de toegenomen vraag.

    Daarmee ligt de oplossing om te voldoen aan de toenemende vraag in de industrie, die ook de komende jaren gehandhaafd blijft, voor de hand. Het stimuleren van meisjes om te kiezen voor technische richtingen in het secundair onderwijs en het stimuleren van industriële werkgevers om vrouwen aan de slag te helpen in typische mannenberoepen en -sectoren, zijn voor het Steunpunt voor de hand liggende en noodzakelijke beleidsopties.