Het gaat goed op de Vlaamse arbeidsmarkt. De banencreatie die het afgelopen decennium in Vlaanderen plaatsvond, schakelde in 1997 naar een hogere versnelling en neemt sindsdien alleen toe. En nu zijn ook de gemeenten die achterbleven, begonnen met het wegwerken van hun achterstand, blijkt uit het jaarboek van het Leuvense Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming (WAV).

De verbetering van de arbeidsmarkt is al enige tijd zo beduidend, dat er krapte optreedt. Werkgevers hebben het dan moeilijk om de juiste mensen te vinden, maar soms werkt die krapte ook heilzaam. Uit de studie blijkt niet alleen dat stilaan oudere werknemers wat langer aan de bak kunnen blijven. Maar ook de regio's in Vlaanderen waar de werkloosheid het hoogst is, profiteren van de goede conjunctuur en zelfs meer dan het Vlaamse gemiddelde.

De minst gunstige regio's, met weinig werkenden en veel werklozen, zijn Turnhout-Limburg, de kuststreek en enkele stedelijke centra als Gent en Antwerpen. Maar belangrijk is dat in die steden en gemeenten een sterkere werkloosheidsdaling dan elders wordt vastgesteld, terwijl ook de jobgroei er een stuk steviger was. De gebieden die het zwakst stonden, hebben dus duidelijk een inhaalbeweging gerealiseerd.

De belangrijkste oorzaak daarvan is het opvallende einde van de afkalving van jobs in de industrie, een tendens die het WAV vorig jaar al signaleerde. Vooral in Limburg en West-Vlaanderen, waar traditioneel veel industrie aanwezig is, is dat herstel duidelijk. Het aantal banen nam er ook vorig jaar verder toe. In het voorjaar van 1999 trad even een verslechtering op, maar ondertussen draait het industriële apparaat weer op volle toeren.

Dat is het geval voor de grafische nijverheid, chemie, rubber en kunststof, en vooral voor metaalsectoren als machinebouw en informatica- en communicatietechnologie. In de textielnijverheid en de bouw stabiliseert de werkgelegenheid zich, in de kleding-, meubel- en houtsector neemt de werkgelegenheid verder af. Gemiddeld genomen geeft dat een minieme groei van het arbeidsvolume, maar het aantal werknemers daalt nog. De werkgevers doen een groter beroep op voltijdse werknemers en grijpen minder naar tijdelijke werkloosheid.

Een tweede reden voor het keerpunt dat optrad in 1997 -- en dat geldt voor heel Vlaanderen -- is de werkgelegenheidsgroei in de dienstensectoren. In 1998 kwamen er 25.000 banen bij, vooral voor informaticadiensten, managementsadvies en in de interimsector.

In de groot- en kleinhandel, de vervoersector en de horeca is de banencreatie beperkter.

De verzwakking van de banengroei in de uitzendarbeid zou een voorbode kunnen zijn van een afgezwakte groei in de hele ,,tertiaire'' of dienstensector. De fakkel lijkt echter overgenomen te worden door de bedrijven en de instellingen van de ,,quartaire'' sector, de non-profit en de welzijnssector. Vorig jaar en ook dit jaar zorgt de lastenverlaging via de sociale Maribel-maatregel hier voor extra jobs. Het beleid lijkt klaar te zijn voor een herwaardering van het onderwijs, terwijl ook kleinere sectoren als de afvalverwerking groei vertonen. Bovendien laat de sector zich opmerken door veel deeltijdarbeid, 33 procent tegenover 6 procent in de industriële sector, en dat heeft een arbeidsherverdelend effect. Het extra werk wordt verdeeld over meer mensen.

De verbetering van de banencreatie blijkt uit het aantal vacatures dat de Vlaamse arbeidsbemiddelingsdienst VDAB mocht ontvangen. Na 1997 stijgt dat in een nooit gezien tempo. In 1998 lag het aantal vacatures er 40 procent hoger dan het jaar voordien, in 1999 nogmaals 33 procent hoger. Dat heeft zeker te maken met de uitbreiding van de diensten van de VDAB, zoals de databanken Wis en Kiss die werkzoekenden en werkgevers zelf kunnen raadplegen, merkt het Steunpunt op. Maar evenzeer is het een gevolg van een werkelijke groei van het aantal niet-ingevulde banen en van het langer oningevuld blijven van vacatures.

Al mag de Vlaamse economie dan jobs hebben gecreëerd het hele voorbije decennium, de werkloosheid daalt nog maar sinds het midden van de jaren negentig. De toevloed van nieuwelingen op de arbeidsmarkt bleef tot dan groter dan de banencreatie. En als vanaf 1995 de werkloosheid begint te dalen, is dat de eerste twee jaar nog altijd voor het grootste deel het gevolg van een schorsing van langdurig werklozen en het uit de statistieken halen van oudere werkzoekenden.

Maar sinds 1997 vinden werkzoekenden werk. In 1999 daalde de werkloosheidsgraad (de verhouding van het aantal niet-werkende werkzoekenden op de totale beroepsbevolking) tot 6,8 procent, het aantal niet-werkende werkzoekenden zit nu onder de grens van 200.000, in december bedroeg het zelfs nog net 180.000. Opvallend daarbij is dat zowel de toename van de werkenden als de daling van de werklozen veel sterker is bij de vrouwen dan bij de mannen.

Ondanks al die beterschap, hebben sommige groepen op de arbeidsmarkt het nog altijd moeilijk. Ouderen blijven daartoe behoren, hoewel zich voor deze groep een kentering lijkt af te tekenen. Laaggeschoolden en niet-Belgen zijn andere kansarme werkzoekenden. Ook jongeren lopen een hoger risico op werkloosheid. De werkloosheidsgraad bij de groep jonger dan 25 jaar ligt op 17 procent, dubbel zo hoog als het Vlaams gemiddelde. In West-Vlaanderen is dat 13 procent, in Limburg evenwel 19 procent. Het goede nieuws is dat dit nog meevalt in vergelijking met Brussel, waar de werkloosheidsgraad van jongeren 36 procent bedraagt en stabiliseert, terwijl die in alle Vlaamse provincies daalt.