BRUSSEL -- Een groei van 4 procent zoals vorig jaar zit er niet meteen meer in, maar de komende vijf jaar blijft de Belgische economie het met een jaarlijkse gemiddelde groei van 2,7 procent toch behoorlijk doen. Daardoor zal de werkloosheid verder dalen, zonder dat de inflatie sterk gaat stijgen.

Dat is in een notendop de projectie die het Federaal Planbureau maakt van de Belgische economie in 2001-2006. Projectie, geen voorspelling, zegt de commissaris van het Plan, Henri Bogaert.

De belangrijkste motor voor de groei zijn de bestedingen door particulieren. Het vertrouwen is groot -- al tonen de meest recente cijfers van de Nationale Bank, over de maand mei, aan dat het Belgische consumentenvertrouwen op het laagste peil in meer dan een jaar staat -- dank zij de stijgende werkgelegenheid en de aangekondigde verlaging van de belastingen op arbeid. Die verlaging van de belastingen helpt mee de loonkosten, en dus de inflatie, in toom te houden.

De gezinsbestedingen doen ook de invoer sterk, terwijl de export weer te lijden heeft onder de forse groeivertraging in de VS. Daardoor valt de groei van de netto-uitvoer -- verschil tussen uitvoer en invoer -- over enkele jaren stil. De groeivertraging in de VS, van 5 procent in 2000 naar geen 2 procent dit jaar, zorgt voor een onzekere internationale economische context. Komt de Amerikaanse economie in een recessie terecht of is de bodem stilaan bereikt? En wat zijn de gevolgen voor Europa?

Het Planbureau is er vrij gerust in. De opeenvolgende renteverlagingen en de aangekondigde belastingverlagingen door de regering-Bush zullen allicht hun effect niet missen. En zelfs als de VS blijven kwakkelen en Japan maar niet uit het slop raakt, biedt de Europese economie meer garanties op stabiliteit: de beursprestaties wegen er minder op de economische activiteit dan in de VS, het spaarvolume is ruim voldoende om de investeringen te financieren en de overheidsfinanciën zijn voor een flink stuk gesaneerd. Bovendien is de eurozone in haar geheel een relatief gesloten economisch blok.

Die goede economische vooruitzichten leiden tot bijkomende banen, 238.000 in vijf jaar tijd. Dat is meer dan in 1985-'90, toen de economie eveneens sterk groeide. Toch zal de werkloosheid niet in dezelfde mate dalen, omdat de beroepsbevolking nog met 188.000 mensen zal aangroeien. Dat is vooral een gevolg van de groeiende deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt, nog versterkt door de gelijkschakeling van de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen. Ook de migratie zou groter uitvallen dan tot nu toe aangenomen.

Het aantal ,,klassieke'' werklozen, zeg maar de groep jonger dan 50 die geacht wordt werk te zoeken, zal in vijf jaar tijd met ruim een kwart dalen tot 270.000 eenheden. Het aantal oudere werklozen daarentegen, die tot op nu niet geacht worden werk te zoeken, zal met 40.000 stijgen tot 194.000 als gevolg van de vergrijzing van de beroepsbevolking en de pensioenhervorming.

Kortom, de werkloosheid vermindert, maar zit nog een stuk boven het peil van begin jaren '70. Die aanzienlijke arbeidsreserve verklaart mee waarom de druk voor loonstijgingen beperkt blijft. Rekening gehouden met productiviteitswinsten, zou de stijging van de loonkosten per geproduceerde eenheid onder de 2 procent, het niveau van de inflatie, blijven.