Iedereen, president Clinton incluis, jammert over de hoge olieprijs die herinneringen oproept aan de oliecrisissen van de jaren '70. En weer gaan er wilde verhalen over zakkende voorraden wereldwijd. Maar er is geen tekort, maar een teveel aan ruwe petroleum. Op termijn wordt een hele rits olielanden met lage inkomsten geconfronteerd, met een grondige verstoring van de stabiliteit tot gevolg.

Die stelling verkondigen Amy Myers Jaffe en Robert A. Manning, twee Amerikaanse olie-experts, in het januari/februari-nummer van Foreign Affairs. De Doemdenkers die sinds de jaren zeventig een wereldwijd olietekort voorspellen, hadden het keer op keer verkeerd. Als de fameuze Club van Rome het gelijk aan zijn kant had gekregen, dan zaten we al sinds 1990 zonder olie. In werkelijkheid blijven de gekende en met de huidige middelen op rendabele wijze te ontginnen voorraden jaar na jaar stijgen.

Dank zij nieuwe, driedimensionale computerbeelden, kunnen geologen nu ondergrondse olievoorraden ,,zien'', zonder dat er duur geboord moet worden. Daardoor is de kostprijs voor het vinden van olievoorraden sinds '80 met een derde verminderd, en gaat er veel minder verloren. Bovendien verstoken en verrijden we onze olie nu veel efficiënter dan pakweg twintig jaar geleden, en het einde in die ontwikkeling is nog niet in het zicht.

Een lage olieprijs, van 12 tot 20 dollar per vat, dat is volgens de auteurs alleen op het eerste gezicht leuk. Want dat veroordeelt een hele reeks landen -- in Zuid-Amerika, de Kaukasus, Centraal-Azië en de Perzische Golf -- tot blijvende politieke instabiliteit. Sommige landen, zoals Koeweit en Iran, pogen zich op een toekomst zonder olie voor te bereiden. Maar in andere -- Kazachstan, Azerbeidjan, Turkmenistan -- hollen politieke leiders maar door, vanuit het waanbeeld dat het manna zal blijven neerdalen. De VS moeten zich dringend gaan bezinnen over de manier waarop ze met de interne onrust die uit die ontgoochelingen zal voortvloeien, willen omgaan.

In een tweede essay komen Richard Rhodes en Denis Beller, twee kernfysici, op voor atoomenergie -- een achterhoedegevecht zou je vanuit Europa denken. Daarna volgen een aantal artikelen waarin de nieuwe Republikeinse doctrine inzake buitenlands beleid uit de doeken wordt gedaan. Condoleezza Rice, een adviseur van presidentskandidaat George Bush jr., poogt onder meer duidelijk te maken waar Amerika's ,,nationaal belang'' gezocht moet worden.

Interessant vanuit Belgisch oogpunt is de analyse van de Rwanda-kwestie van de hand van Alan Kuperman van het MIT. Meer dan vijf jaar na de massaslachtingen in Bosnië, Somalië en Rwanda, zoeken de VS nog altijd naar een echt beleid ten aanzien van dergelijke conflicten. Kuperman stelt dat de buitenwereld in Rwanda in '94 tot machteloosheid was gedoemd. Om nog maar een fractie van de slachtoffers van de genocide te redden, zou er een veel omvangrijker, tot vechten bereide internationale troepenmacht nodig zijn geweest, schrijft hij.

  • Foreign Affairs, januari/februari 2000. www.foreignaffairs.org
  • U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

    Lees gratis ›

    Geen betaalgegevens nodig