Spanje heeft een bloeiende periode gekend onder het premierschap van José María Aznar. Maar dat misschien niet voldoende zijn om hem een tweede ambtstermijn te verzekeren, schrijft David White .

José María Aznar moet zich afvragen wat hij moet doen om bijval te oogsten bij de Spaanse kiezers. Alle peilingen over wat de Spanjaarden denken over de economie en hun eigen welvaart wijzen op hetzelfde goed gevoel, nog meer onder zijn premierschap dan voordien. Zelfs de vijanden van Aznar kunnen niet ontkennen dat Spanje het goed doet. Als de verkiezingen afhingen van de economische prestatie, zou hij volgende maand afstevenen op een duidelijke parlementaire meerderheid en een comfortabele tweede termijn als eerste minister.

Maar voor zijn Partido Popular ligt een dergelijke populariteit nog buiten bereik. De partij is favoriet voor de algemene verkiezingen van 12 maart maar het is onwaarschijnlijk dat ze een grote overwinning behaalt. Ze zal nadien waarschijnlijk moeten onderhandelen met regionale bondgenoten, zoals ze de vorige keer deed.

Op haar weg naar de macht veroverde de partij een groot deel van het politieke centrumterrein maar ze heeft het moeilijk om meer aanhang te krijgen in een land waar centrum-linkse gevoelens 20 jaar lang de bovenhand hadden. Over het algemeen is Spanje niet enthousiaster geworden voor Aznar en zijn team. Dat is vooral het geval in Catalonië, de grootste economische regio van Spanje, waar de partij er niet in slaagde om haar centralistisch imago kwijt te raken.

Spanje heeft nochtans een benijdenswaardig economisch record gevestigd waardoor Aznar op de grote stoel kwam te zitten waar voordien Helmut Kohl zat als boegbeeld van centrum-rechts op een continent gedomineerd door centrum-linkse regeringen.

In Spanje gaat het goed. Een jaar nadat Aznar aan de macht kwam, steeg de jaarlijkse groei boven de 3 procent. En dat niveau werd sindsdien aangehouden terwijl de meeste economieën van de EU achterophinkten. Omdat er meer geld naar de staatskas vloeide, deden de gevreesde inspanningen om de doelstellingen van de monetaire unie te halen, nauwelijks pijn. Er werden ernstige arbeidsconflicten voorspeld maar die kwamen er niet.

De terugval van vorige kortstondige oplevingen bleef nu uit zodat Spanje een van de snelst groeiende economieën van Europa is geworden. De regering verwacht dat de stevige groei -- die momenteel 3,7 procent bedraagt -- zal voortduren omdat het herstel in de EU een inhaalbeweging maakt. Dat is vooral het geval in Frankrijk, de belangrijkste uitvoermarkt van Spanje.

Spanje heeft nog altijd de hoogste werkloosheidsgraad van de EU. Maar de officiële werkloosheidscijfers zijn gedaald van 23 naar 15 procent. Volgens de ministers zou dat cijfer over vier jaar op het Europees gemiddelde moeten liggen, onder de 10 procent. In vele delen van het land is dat nu al het geval. Spanje had een enorme achterstand goed te maken en heeft ongeveer evenveel netto banen gecreëerd als de rest van de EU samen. Rodrigo Rato, de minister van Financiën, zegt dat een volledige werkgelegenheid mogelijk is over tien jaar.

Volgens de regering zal de begroting met een klein overschot zitten vanaf 2002. Privatiseringen zullen waarschijnlijk meer dan 26 miljard dollar (ruim 1.000 miljard frank) opbrengen, meer dan tweemaal zoveel als alle verkopen die de overheid deed sinds het midden van de jaren '80.

In Spanje is een nieuwe bedrijfswereld ontstaan, vol vertrouwen en assertiviteit. Zij die de recessie overleefden die het land zeven jaar geleden teisterde, doen zich nu gelden in het buitenland. Grote Spaanse banken doen mee aan de fusies in Europa. Telefónica, eens een verouderd telefoonbedrijf met een monopolie, staat op het punt het eerste Spaanse lid te worden van de club van bedrijven die meer dan 100 miljard dollar waard zijn.

,,Spanje is waarschijnlijk het land dat het meeste voordeel heeft gehaald uit de toetreding tot de monetaire unie'', zegt Emilio Ontiveros, professor bedrijfseconomie aan de autonome universiteit van Madrid en hoofd van het consultancybedrijf Analistas Financieros Internacionales. De euro heeft het risicoprofiel van Spaanse bedrijven verminderd en heeft hun leenkosten verminderd. ,,Het was net als het nemen van een verzekering zonder een premie te moeten betalen'', zegt hij.

Een deel van het basiswerk voor de toetreding was al verricht en het economisch herstel was in zicht toen Aznar de socialisten van de macht verdreef. Maar zijn regering slaagde erin geloofwaardigheid te krijgen op de financiële markten. Een sterke daling van de intrestvoeten zorgde voor wat Ontiveros noemt een ,,injectie van een grote portie gezondheid''.

Spanje werd ook geholpen door industriële veranderingen die de inflatie deden dalen. Een grotere concurrentie hielp de prijzen in toom te houden terwijl een hoge werkloosheid en een vermoeidheid bij de vakbonden leidden tot loonmatiging. Het land zat in een heilzame spiraal: investeringen en overheidsinkomsten stegen terwijl het begrotingstekort en de inflatie daalden.

Maar nu het land zich opmaakt voor de verkiezingen, verschijnen er weer economische problemen. De inflatie van de consumptieprijzen bedraagt 2,9 procent op jaarbasis, ongeveer het dubbele van een jaar geleden. Ministers wijten dat aan de sterke stijging van de olieprijzen en aan de droogte die de voedselprijzen omhoog duwde. Maar vele economen staan sceptisch tegenover de doelstelling van de regering die de inflatie dit jaar wil terugbrengen tot 2 procent. De huidige inflatie ligt duidelijk boven het gemiddelde in de eurozone en begint een impact te hebben op de lonen.

De productiviteit in de industrie is maar traag verbeterd, ondanks sterke Europese concurrentie. Het handelstekort van Spanje is vergroot ondanks de steeds toenemende inkomsten uit toerisme. Sinds 1998 staat zijn tegoed op de lopende rekening weer in het rood. ,,We zijn aan het groeien maar we keren terug naar een traditioneel groeipatroon voor de Spaanse economie'', zegt Joaquín Almunia, de socialistische leider die mikt naar de job van Aznar. Hij zegt dat de regering gewoon geprofiteerd heeft van de top van de economische cyclus en er niet in geslaagd is de oligopolieën aan te pakken. De ware reikwijdte van de deregulering stond ook ter discussie in een recent rapport van de organisatie van de geïndustrialiseerde landen Oeso.

Almunia denkt ook dat de regering er niet in geslaagd is de overheidsuitgaven te herzien maar enkel steunde op de inkomsten die voortvloeiden uit de groei. Dat is ook de mening van José Barea de voormalige begrotingsadviseur van de premier. In een recent artikel zei hij dat Spanje op een ,,begrotingstijdbom'' zat. Barea zei dat er bij de jongste drie begrotingen meer had moeten gebeuren om het tekort te verminderen. Hij dacht dat het nu ,,erg moeilijk'' zou worden om een overschot te bereiken in 2002. Het is niet de eerste keer dat Aznar het verwijt krijgt te veel te talmen.

,,In Spanje moeten er hervormingen worden doorgevoerd'', zegt Salvator Gabarró, directeur van Roca Radiadores, een bedrijf in sanitaire artikelen en een van de nieuwe multinationals in Spanje. Hij is tevens voorzitter van de Círculo de Economía, een zakenforum met zetel in Barcelona. ,,De nieuwe regering kan er maar beter snel werk van maken'', zegt hij, ongeacht of Aznar dan wel Almunia de regering vormt. Hij wil een grotere liberalisering van de energiemarkt, nieuwe wetten over het gebruik van land en verdere veranderingen voor aanwervingen en ontslagen.

Belangrijker dan de uitslag van de verkiezingen is het vooruitzicht van een stabiele regering. Aznar of de linkse partij zouden in staat moeten zijn de medewerking te krijgen van de belangrijkste Catalaanse partij die de jongste jaren het machtsevenwicht controleert. ,,Over het algemeen is de bedrijfswereld niet al te ongerust'', zegt hij. ,,In economische zaken is er weinig verschil tussen de twee partijen.''

Wat hem wel zorgen baart is de mogelijke druk op de lonen en veranderingen in de arbeidsduur zoals in Frankrijk. De beleidsovereenkomst tussen de socialisten en verenigd links, dat door de communisten wordt geleid, voorziet ,,wettelijke en regelgevende'' maatregelen om de 35-urige werkweek te promoten als een manier om meer banen te creëren. De socialisten dringen er wel op aan de vermindering er komt via onderhandelingen en niet wordt opgelegd via een wet. Gabarró zegt dat een verplichte werkweek van 35 uur niet haalbaar is. ,,Ik hoop dat we niets stoms doen'', zegt hij.

Zolang de lonen binnen de perken blijven, gelooft hij dat Spanje een ,,klein inflatieverschil'' met de Europese partners aankan. ,,Het belangrijkste is dat we een groot verschil in groei hebben.''

Hierover is er geen meningsverschil tussen de bedrijfsleiders en de linkse en rechtse partijen: Spanje kan sneller blijven groeien dan de Europese Unie als geheel. Tijdens 14 jaar lidmaatschap is het Spaanse inkomen per hoofd gestegen van meer 30 procent onder het Europese gemiddelde tot minder dan 20 procent. Voor de eerste keer sinds het einde van de dictatuur van Franco 25 jaar geleden, gelooft Spanje dat het zijn rijkere buren kan inhalen.

© The Financial Times

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig