BRUSSEL -- De verplichte verzekering tegen schade die iemand met zijn auto aan derden kan berokkenen, is verlieslatend. De kosten liggen gemiddeld 20 procent hoger dan de inkomsten. Bij sommige maatschappijen is de situatie stukken beter dan dat gemiddelde, bij andere wordt de toestand ,,moeilijk''. Het Controlecomité van de Verzekeringen overweegt daarom een voorstel om de brokkenmakers te weren.

Onder druk van de concurrentie zijn de premies in de tak BA (burgerlijke aansprakelijkheid) auto de jongste jaren nauwelijks gestegen. De concurrentie lijkt vooral te komen uit de hoek van de directe verzekeraars. Die werken zonder makelaars of agenten en dat scheelt een stuk als het kostenplaatje wordt gemaakt.

Het marktaandeel van de maatschappijen die rechtstreeks verzekeren blijft in België met 2 procent weliswaar beperkt, maar de druk die zij onrechtstreeks uitoefenen op de premie van de andere verzekeraars, is aanzienlijk. Veel traditionele maatschappijen klagen erover dat hun klanten met een (goedkopere) offerte van een directe verzekeraar in de hand hun premie komen (her)negotiëren.

Op die verlaagde premies moeten de traditionele maatschappijen gemiddeld 10 tot 15 procent commissie betalen aan tussenpersonen (makelaars, agenten,...). Daar bovenop komen de algemene kosten die, ondanks inspanningen om op diverse domeinen te besparen, oplopen tot 25 procent van de premieontvangsten.

Ondertussen zijn de kosten voor het herstellen van een auto fors de hoogte ingegaan. Ook het aantal schadegevallen loopt op. De combinatie van beide factoren heeft de schadelast als procent van de premieontvangsten doen oplopen tot 80 procent.

Voeg de drie percentages bij elkaar en de kosten voor een gemiddelde polis BA-auto lopen op tot 120 procent van de premie-inkomsten. Zolang de rendementen op de premiebeleggingen ervoor zorgen dat de verliezen gecompenseerd worden, en/of de aandeelhouders bereid zijn de technische reserves aan te vullen en om commerciële redenen -- bijvoorbeeld veroveren van marktaandeel -- tijdelijk vrede nemen met een verminderd rendement, is er niets aan de hand.

Maar afgelopen jaar liep het met die premiebeleggingen wat mis. De koersen van vastrentende waarden (vooral obligaties) kregen een fikse dreun onder druk van de snelle stijging van de langetermijnrente (van ongeveer 3,5 procent naar bijna 6 procent in nauwelijks meer dan zes maanden). Als de rente stijgt is niemand bereid de volle pot te betalen voor bestaande leningen die minder opbrengen dan de marktrente. Dus dalen de koersen.

Vastrente waarden vormen het gros van de beleggingsportefeuille van de verzekeringsmaatschappijen. Daarnaast zitten er ook aandelen in, vooral van traditionele sectoren met stabiele dividenden. Afgelopen jaar deden die sectoren het niet briljant. De maatschappijen profiteerden dus evenmin van de hausse op de beurs die steunde op de technologiewaarden.

Per saldo geen al te rooskleurig plaatje dus. Daarom wil de Controledienst, zoals de krant De Morgen gisteren meldde, een aantal maatschappijen vragen ,,selectiever'' te zijn bij het aanvaarden (of behouden) van klanten. Grote brokkenmakers moeten worden geweerd. Die kunnen terecht bij een pool voor moeilijk te plaatsen risico's. Daar betalen ze twee tot vier keer de normale tarieven.

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig