In het debat over de klimaatverandering staan de oliemaatschappijen in de frontlinie, vaak letterlijk. De afgelopen week werd ExxonMobil, het grootste beursgenoteerde oliebedrijf ter wereld, in Groot-Brittannië het doelwit van een boycot door groene activisten, omdat het gekant is tegen het protocol van Kyoto.

Andere grote oliemaatschappijen, zeker buiten de Verenigde Staten, zijn meer geneigd om de waarschuwingen over de opwarming van de planeet ernstig te nemen en doen daarom meer inspanningen dan ExxonMobil voor de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.

Maar zelfs een bedrijf als BP heeft ervaren dat het met slogans als Beyond Petroleum (meer dan petroleum) alleen maar meer onder druk komt te staan van groene activisten. Die willen dat het bedrijf de fossiele brandstoffen volledig afschrijft.

Oliemaatschappijen zijn een voor de hand liggende boosdoener in het broeikaseffect. Driekwart van de schadelijke gassen ontstaat door de verbranding van fossiele brandstoffen. In feite is 80 procent van de oliereserves ter wereld eigendom van regeringen en hun staatsbedrijven, en niet van Westerse beursgenoteerde oliemaatschappijen. Maar die staatsbedrijven hebben meestal niet de mogelijkheid of de intentie om te diversifiëren naar hernieuwbare energiebronnen. Daarom vinden de groene jongens hen niet de moeite waard als doelwit.

De eerste stappen vanuit het bedrijfsleven naar hernieuwbare energie waren echter geen antwoord op die druk maar wel op de prijs. Toen begin de jaren tachtig de olieprijzen sterk stegen, begonnen bedrijven aan beide zijden van de oceaan te zoeken naar hernieuwbare energiebronnen. Op dat moment begon zelfs ExxonMobil (toen heette het nog gewoon Exxon) onderzoek te verrichten naar zonne-energie.

,,In de jaren tachtig investeerden we 500 miljoen dollar in onderzoek naar zonne-energie, maar uiteindelijk besloten we dat die technologie niet commercieel haalbaar was, hoewel ze wel toepassingen had in nichemarkten'', zegt Frank Sprow, vice-voorzitter van het directiecomité bij ExxonMobil.

De bezorgdheid over de klimaatverandering was niet voldoende om de interesse van ExxonMobil in hernieuwbare energie weer te doen opflakkeren. Het bedrijf zegt dat het de mogelijke risico's van een klimaatverandering ernstig neemt maar dat het daarvan nog niets merkt in de realiteit. Het bedrijf geeft jaarlijks 12 miljoen dollar uit aan onderzoek naar een waaier van technologieën die de uitstoot van koolstofdioxide verminderen. Zo verricht ExxonMobil onderzoek naar brandstofcellen en de separatie van schadelijke gassen. Bovendien spendeert de groep 100 miljoen dollar om de uitstoot van gassen te verminderen bij zijn eigen activiteiten.

Het bedrijf geeft geen geld meer uit aan de ontwikkeling van eigen hernieuwbare energiebronnen zoals zonne- en windenergie. Maar het volgt wel de ontwikkelingen van hernieuwbare energie bij andere bedrijven en is er zeker van dat het in de toekomst weer actief wordt in die sector.

De tweede golf van interesse in hernieuwbare energie kwam er na het protocol van Kyoto in 1997. Dat vloeide voort uit een constante stijging van de olieprijzen en de verhoogde druk van de publieke opinie. Het besef groeide dat die twee factoren risico's inhouden voor bedrijven die niets doen op het vlak van hernieuwbare energie en kansen creëren voor bedrijven die dat wel doen.

De zakelijke argumenten voor hernieuwbare energie, die verschillen van de sociale en de milieugebonden argumenten, worden op een rijtje gezet door Martin Whittaker van Innovest, een Canadees consultancykantoor. Hij stelt dat de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen de oliemaatschappijen niet zozeer winst op korte termijn biedt, maar wel ,,leiderschap in de markt, het voordeel van een pioniersbedrijf en een groei op lange termijn''. Hij zegt dat die argumenten eindelijk de aandacht van financieel verantwoordelijken bij oliemaatschappijen vestigen op de hernieuwbare energie.

Die bedrijven, met uitzondering van ExxonMobil, hebben in ieder geval hun uitgaven voor hernieuwbare energie opgedreven. De twee leiders zijn BP en Shell. Ze houden zich al sinds het begin van de jaren tachtig bezig met zonne-energie. Maar BP heeft zwaarder gegokt. Het creëerde BP Solar, dat een omzet draait van 200 miljoen dollar en tegen 2007 een omzet wil halen van 1 miljard dollar. Het wedijvert met Kyocera en Sharp om het leiderschap in de sector van de zonne-energie.

Shell bracht dit voorjaar zijn activiteiten op het vlak van zonne-energie in een joint venture met Siemens. Die joint venture maakt deel uit van de afdeling Shell Renewables, die ook projecten rond windenergie omvat in Groot-Brittannië en Nederland en een project met biomassa in Scandinavië.

Volgens Martin Whittaker zijn de Amerikaanse oliemaatschappijen trager uit de startblokken geschoten. Volgens hem komt dat gedeeltelijk doordat ze gewoon zijn te reageren op de ,,meer reglementerende houding'' van het Environmental Protection Agency (EPA - Agentschap voor milieubescherming). Als het EPA hen niet dwingt, dan bewegen ze niet.

Texaco is daar een opmerkelijke uitzondering op. Vorig jaar betaalde het 67 miljoen dollar voor een participatie van 20 procent in Energy Conversion Devices, waarmee het de krachten heeft gebundeld op het vlak van brandstofcellen, de opslag van waterstof voor brandstofcellen en geavanceerde batterijen voor hybride auto's die zowel op elektriciteit als op benzine rijden.

,,We willen klaar zijn als de hybride wagens populair worden'', zegt William Wicker, de voorzitter van Texaco Global Businesses. ,,Uiteindelijk zitten we in de energiesector, niet enkel in de fossiele brandstoffen.'' Die inspanningen voor hernieuwbare energie zullen misschien hinder ondervinden van de fusie met Chevron, dat minder gebrand is op alternatieve energie. Maar Wicker omschrijft de houding van Chevron als ,,vrij enthousiast''.