Beleggen is nooit vrijblijvend. Al was het maar omdat de inzet je spaargeld is, je appeltje voor de dorst, je rustige oude dag. Aan beleggen begin je dus het best niet onvoorbereid. Als opwarmertje voor het beursspel dat op 23 oktober van start gaat, publiceren we een reeks waarin de basisbegrippen van beurs en beleggen aan bod komen.



  • RENTE -- ,,De rente op de markt is gestegen'' of ,,de centrale bank heeft de rente verlaagd'', lezen we wel eens in het financiële katern van de krant. Hoezo? Wat is de rente, en wie bepaalt nu eigenlijk hoe hoog of laag de rente is?
  • Intuïtief voelt iedereen wel aan wat ,,de rente'' is: de vergoeding die je krijgt of betaalt om geld te (ont)lenen. Het is dus eigenlijk een maatstaf voor de waarde van geld: een hoge rente maakt geld ,,duurder''.

    Maar eigenlijk bestaat er niet zoiets als ,,de rente''. Je kunt immers geld lenen voor een korte of een lange periode, het kan een groot of een klein bedrag zijn, de ontlener kan een goede of een slechte kredietwaardigheid hebben, enzovoort. De rente op een bepaalde lening zal afhangen van al die factoren.

    Toch plegen rentetarieven op de markt vaak in dezelfde richting te bewegen. Om inzicht te krijgen in het algemene ,,renteklimaat'', kijken specialisten daarom naar een aantal ,,referentie-rentevoeten'', een beetje zoals de beursindex het algemene ,,beursklimaat'' aangeeft. Grofweg maakt men daarbij het verschil tussen de ,,kortetermijnrente'' en de ,,langetermijnrente''

    De rentevoeten op korte termijn worden in de eerste plaats beïnvloed door het monetaire beleid van de centrale bank van een land (of van een hele muntunie, zoals in Europa). Een centrale bank speelt zo'n beetje de rol van ,,bank der banken'': commerciële banken kunnen het geld dat ze op het einde van een werkdag overhebben of tekortkomen, beleggen of ontlenen bij de centrale bank. De rentetarieven waartegen dat gebeurt (en die de centrale bank zelf vastlegt), beïnvloeden op hun beurt de rentetarieven op korte termijn die de commerciële banken zelf aanrekenen.

    Als ,,referentierente'' voor de korte termijn wordt vaak gekeken naar het rentetarief dat banken aanrekenen voor geld dat ze bij elkaar beleggen of ontlenen, de zogenaamde ,,interbancaire rente''.

    In de euro-zone heet dat de ,,Euribor'' (Euro Interbank Offered Rate): u vindt ze elke dag terug in de grafiekenbalk van ons economiekatern.

    De langetermijnrente is een ander verhaal. Hier gaat het om rentetarieven die voornamelijk door vraag en aanbod op de markt worden beïnvloed. De langetermijnrente is heel belangrijk voor de economie, omdat zowel consumenten (via de hypotheekrente) als bedrijven (via de rente op investeringskredieten) er hun uitgaven op afstemmen.

    Als referentierente op lange termijn kijkt men doorgaans naar de rente op tien jaar. Ook die vindt u terug in de grafiekenbalk. De langetermijnrente wordt afgeleid van de koers van staatsobligaties.

  • MARKTRENTE -- Zaterdag legden we uit dat de langetermijnrente op de markt zich omgekeerd verhoudt tot de koers van staatsobligaties. Die koers hangt zelf af van vraag en aanbod.
  • Het aanbod van staatsobligaties wordt uiteraard bepaald door de staat: die gaat extra leningen uitgeven wanneer hij geld nodig heeft om grote uitgaven te doen.

    In ons land was dat bijvoorbeeld zo tijdens de jaren zeventig, toen de regering de oliecrisis wilde bestrijden met extra overheidsinvesteringen. Gevolg: door het grote aanbod daalt de koers van de obligaties, waardoor de rente stijgt. Tijdens de jaren negentig kenden we het omgekeerde fenomeen: de Europese regeringen bespaarden en gaven dus minder staatspapier uit, waardoor de koersen stegen en de rente daalde.

    De vraag komt vooral van banken, beleggings- en verzekeringsinstellingen, die het aan hen toevertrouwde vermogen beleggen in staatsobligaties om het rente te laten opbrengen. Wanneer de burgers van een land veel geld sparen, zal de vraag naar staatsobligaties toenemen, waardoor de koersen stijgen en de rente daalt. Dat was de voorbije jaren ook het geval.

    De vraag naar staatsobligaties hangt ook af van verwachtingen over de toekomstige inflatie, de stijging van het algemeen prijspeil in een land. Wie denkt dat de inflatie zal stijgen (waardoor zijn toekomstige koopkracht zal dalen), zal zich daartegen willen indekken door een hogere rente te vragen op obligaties waarin hij investeert. Door het vraag-aanbod-mechanisme zal ook dat leiden tot hogere rentevoeten.

  • INFLATIE -- Een financieel woord voor de stijging van de levensduurte. De inflatie wordt gemeten aan de hand van de ,,consumptieprijsindex'', een index die het verloop weergeeft van de winkelprijzen van een ,,korf'' belangrijke consumptiegoederen. ,,Een inflatie van 10 procent op jaarbasis'' betekent dat de prijzen in één jaar tijd met 10 procent zijn toegenomen. Inflatie is synoniem voor geldontwaarding, omdat stijgende prijzen ervoor zorgen dat de koopkracht van ons geld kleiner wordt.
  • Inflatie kan op verschillende manieren ontstaan, maar doorgaans is het fenomeen een gevolg van de voortdurende ,,frictie'' tussen vraag en aanbod in de economie. Als het aanbod van goederen en diensten niet groot genoeg is om de vraag op te vangen, moet het evenwicht hersteld worden door de prijzen te verhogen, en dat geeft dus inflatie. Inflatie krijg je dan ook vooral wanneer een economie snel groeit en de bedrijven de vraag van de consumenten niet meer kunnen bijbenen.

    Inflatie lijkt van alle tijden. Moeders en grootmoeders hebben het wel eens over ,,de tijd dat een brood nog 5 frank kostte''. Toch zijn er ook periodes geweest waarin de prijzen afnamen, een fenomeen dat bekend staat als ,,deflatie''.

    Economisten gaan er van uit dat ,,een beetje'' inflatie (tot pakweg 2 procent per jaar) een noodzakelijke ,,smeerolie'' vormt voor een goed draaiende economie. Te veel inflatie is niet goed, omdat daardoor de koopkracht achteruitgaat en omdat het dan moeilijk wordt om uitgaven en investeringen ,,vooruit te plannen''. Deflatie is ook niet goed, omdat de consument dan zijn aankopen uitstelt in afwachting van almaar lagere prijzen, waardoor de producenten in moeilijkheden raken.

    Wie zijn geld spaart in plaats van het uit te geven, zal natuurlijk eisen dat hij minstens vergoed wordt voor de geldontwaarding die inflatie teweegbrengt. Dat verklaart dat beleggers een hogere rente vragen wanneer de inflatie stijgt, maar ook wanneer ze verwachten dat de inflatie zal stijgen.

  • (Dit is de achtste aflevering in een reeks over beursbegrippen als aanloop naar het beursspel dat op 23 oktober van start gaat.)
  • www.standaard.be/reeksen