BRUSSEL -- In het bereikte evenwicht van de overheidsfinanciën op een zeer hoog niveau van inkomsten en uitgaven schuilt voor de Belgische economie een aanzienlijk reservoir aan versnelde welvaartsstijging. Het wordt interessant te zien welke krachten -- uitgavenverhoging, belastingverlaging of schuldafbouw -- de bovenhand zullen halen.

Dat de financiën van de overheid in evenwicht zijn gebracht, is een ongelooflijk waardevol neveneffect van de euro en van de zo gesmade Maastricht-criteria. Zowel inkomsten als uitgaven vertegenwoordigen een goede 46 procent van het bruto binnenlands product, wat zeer veel is.

Het in 1982 aangevatte herstelbeleid had de kloof tussen beide al enigszins gedicht. Een verslapping in de saneringsinspanning deed een deel van de geboekte vooruitgang weer teloorgaan, maar de beslissende actie werd vanaf 1993 gevoerd, met het lokkende perspectief van de Europese muntunie voor ogen.

In de jaren van vertwijfeling vertegenwoordigde de druk van de collectieve lasten -- belastingen en sociale bijdragen -- 48 procent van het bruto binnenlands product, terwijl de uitgaven opgerukt waren naar 60 procent van het bbp. Het verschil werd gedekt door massale leningen. Vandaag draagt de Belg nog zowat evenveel aan de overheidskas en aan de sociale zekerheid af, maar zijn de uitgaven van de gezamenlijke overheid teruggebracht tot het peil van haar inkomsten.

Dat is het resultaat van de ontelbare besparingsmaatregelen van de afgelopen twintig jaar, maar ook van de daling van de rentelasten, die op haar beurt mee in de hand werd gewerkt door de langdurige rentedaling. Ook de verbeterde conjunctuur steekt opnieuw een handje toe om wat er van de kloof tussen uitgaven en inkomsten overbleef, te overbruggen.

En het blijft niet bij een herstel van het evenwicht: in de komende jaren moet er normalerwijs een overschot ontstaan. Als de bevolking en de politici zich enigszins deugdzaam gedragen, kan dat naar verwachting ongeveer tien jaar blijven bestaan. Dan slaat echter de vergrijzing in al haar hevigheid toe.

De keuzen van het komende decennium zullen dus cruciaal zijn. In drie richtingen zijn krachten aan het werk.

De eerste, die vroeger ook moeiteloos de sterkste was, is de drang naar uitgavenverhoging. De meest uiteenlopende drukkingsgroepen sturen er voortdurend op aan, en meer geld uitgeven, beantwoordt ook aan de basisinstincten van de politici. Wanneer de uitgaven eenmaal aan het stijgen zijn, is die dynamiek wegens het bekende maar altijd opnieuw onderschatte afgunstfenomeen bijna niet in te tomen: door aan de ene groep iets te geven, maakt men vele andere ongelukkig. Dit leidt onvermijdelijk tot compenserende eisen. De jongste maanden hebben we daar weer tal van voorbeelden van gezien.

Steeds weer moeten politici tot hun verbazing en ontgoocheling ondervinden dat generositeit hen niet populairder maakt, veeleer integendeel. En dat is ook logisch: het aantal mensen dat men niet in de cadeaus kan laten delen, en dat nijdig wordt, is veel groter dan de groep die in de prijzen valt.

In de tweede plaats zijn er de krachten die op verlaging van de collectieve lasten aansturen. Vroeger legden die niet veel gewicht in de schaal. Weliswaar werden in de tweede helft van de jaren tachtig belastingverlagingen doorgevoerd, maar nadien werden die vrijwel geheel weer ongedaan gemaakt.

Lange tijd hield de illusie stand dat men de rijken voor de uitgaven van de overheid kon doen opdraaien, wat een recept was voor een aanhoudende verhoging van de collectieve-lastendruk. Maar in werkelijkheid betaalt de grote massa, en dat beseft ze inmiddels ook wel. De weerzin voor de hoge lastendruk neemt daardoor toe.

Bovendien wordt nu vrij algemeen ingezien dat het hoge peil van belastingen en sociale bijdragen nadelige gevolgen heeft voor de economie, de werkgelegenheid en de inkomensstijging. Sinds de voorgaande regering worden daarom geleidelijke lastenverlagingen voor de ondernemingen doorgevoerd.

De groeiende beleidsconcurrentie tussen de staten kan een wedloop naar een lagere collectieve-lastendruk tot gevolg hebben. Steden, regio's en landen staan in toenemende mate met elkaar in concurrentie voor mobiele productiefactoren: kapitaal, technologische knowhow en hooggekwalificeerde werknemers worden aangetrokken door lage belastingen, maar ook door goede infrastructuur en door aanvaardbare regels en reglementen (productnormen, vergunningsprocedures en andere wettelijke reguleringen). Premier Guy Verhofstadt probeerde zopas in Amerika met het vooruitzicht van een lagere nominale vennootschapsbelasting investeerders te gaan werven.

En de derde drijvende kracht wil de toekomstige koopkracht van de gepensioneerden veiligstellen. Een middel daartoe is de overheidsschuld zoveel mogelijk te drukken alvorens de vergrijzing zwaar op de overheidsfinanciën gaat wegen. Een variante is jaarlijks uit de middelen van de overheid geld opzij te leggen. Het Oostendse verkiezingssucces van de promotor van het Zilverfonds illustreert hoezeer dit een groeiend deel van de bevolking aanspreekt.

In welke mate de voorstanders van uitgavenverhoging, respectievelijk die van belastingverlaging het laken naar zich toe zullen weten te trekken, blijft vanzelfsprekend in het ongewisse. Het derde pad, dat van schuldreductie en versterkte pensioenvoorziening, lijkt voor de eerstkomende jaren in grote mate uitgestippeld.

De Hoge Raad voor Financiën beklemtoonde in zijn advies van juli jongstleden aan de regering dat het voorzichtig zou zijn tegen 2005 geleidelijk een overschot ten belope van 1 procent van het bruto binnenlands product op te bouwen. In de irrealistische veronderstelling dat men de budgettaire ruimte onaangeroerd zou laten, zou het surplus zelfs kunnen oplopen tot 2,5 procent van het bbp.

Tegen het einde van de regeerperiode, in 2003, zal er ongetwijfeld al enige marge zijn, maar ze zal lang niet volstaan om de plannen te betalen die vanuit de diverse regeringen zijn gelanceerd. De arbitrages zullen dus lastig zijn. Een aantal maatregelen kan men natuurlijk in de laatste maanden van de regeerperiode laten ingaan, zodat men de indruk wekt heel wat te doen, maar de onmiddellijke budgettaire weerslag minimaliseert.

De spontane ontwikkelingen van de overheidsfinanciën lijken in de komende jaren dus de aanbodzijde van de economie te zullen ondersteunen. Nu geen deflatoir beleid meer moet worden gevoerd om de tekorten terug te dringen, kan de groei hoger uitvallen dan in de afgelopen twee decennia.

Er kan een meer tegemoetkomend monetair beleid worden gevoerd wanneer de overheidsfinanciën in evenwicht zijn of een overschot vertonen. De verbruikers hebben bij een lagere belastingdruk meer koopkracht te besteden. En de investeringsinspanning kan worden opgedreven. Kortom, de potentiële groei van de economie kan structureel omhoog. Men moet dan wel voorkomen dat stroef werkende markten, de arbeidsmarkt voorop, dat beletten.

Ook voor de aandelenbeurzen kan dit gunstige gevolgen hebben. De grote hausse van de periode 1982-1998 werd in grote mate aangedreven door de rentedaling, die in België de lange-termijnrente van boven de 13 tot beneden de 4 procent bracht. Houden de in evenwicht gebrachte overheidsfinanciën en het perspectief van lastenverlagingen en van verdere schuldreductie ook geen reservoir aan verdere koersstijgingen in?