Alan Greenspan
© AP

BRUSSEL -- Dat de voordracht van Alan Greenspan voor een vierde termijn aan het hoofd van de Amerikaanse Federal Reserve met ,,rationele uitbundigheid'''' werd begroet, kan geen verbazing wekken: de man heeft een bovennatuurlijke status verworven. Als hij er niet meer zou zijn, vallen vele schijnbare zekerheden weg.

Benijdenswaardig is zijn lot niet. De dag dat hij een beoordelingsfout maakt, kan dat wereldwijde gevolgen hebben. Voor het geld hoeft hij het niet te doen, want de eerste de beste jonge trader in Wall Street verdient meer. En zijn recht op pensioen is hem ontzegd. John McCain, republikeins kandidaat voor het presidentschap, zei zelfs dat als Greenspan zou komen te sterven hij hem met donkere bril achter zijn bureau zou installeren en herbenoemen.

Het is opvallend hoe tegenwoordig naar centrale bankiers wordt opgekeken, zeker als ze eenmaal een rijpe leeftijd hebben bereikt en hoe node men hen laat gaan.

De kapitalistische wereld hield haar hart vast toen Greenspans voorganger, de al bij leven legendarische Paul Volcker, in 1987 opstapte. Guido Carli was in de woelige wateren van de Italiaanse publieke sector vele jaren een bastion van stabiliteit. Wim Duisenberg zal wanneer hij opstapt de gangbare pensioenleeftijd ruim voorbij zijn, zelfs als hij dat halverwege zijn mandaat doet. Alfons Verplaetse werd door de vorige regeringscoalitie verzocht aan te blijven tot hij dicht bij de zeventig was en België de buit van het Emu-lidmaatschap binnen had.

Sommige centrale-bankgouverneurs werden tot de hoogste politieke functies geroepen. In Italië werden Carlo Ciampi en Lamberto Dini eerste minister, en Ciampi is nu president. In de Tsjechische republiek was Josef Tosofsky een gerespecteerd premier tussen twee mandaten als gouverneur in.

Centrale bankiers drijven vandaag op een witte wolk. Ongetwijfeld zal die staat van genade ooit ophouden, maar zolang het duurt genieten ze er met volle teugen van. Ze worden nog wel door het politieke gezag aangesteld, maar eenmaal benoemd zijn ze autonoom. Met hun rentebeleid oefenen ze een enorme invloed uit op de economie en op de markten.

De resultaten zijn opzienbarend. De unieke combinatie van duurzame groei, prijsstabiliteit en sterke werkgelegenheidsgroei in de Verenigde Staten heeft Greenspan het predicaat ,,beste centrale bankier uit de wereldgeschiedenis'''' opgeleverd. In Europa is prijsstabiliteit -- datgene waarvoor de centrale bankiers de verantwoordelijkheid hebben gekregen -- nu eveneens een verworvenheid en is de muntunie, alle vroeger scepticisme ten spijt, een realiteit.

Dit roept een intrigerende vraag op: is de westerse wereld vandaag gezegend met een uitzonderlijke generatie van ,,wijze'''' centrale bankiers? Of wordt alleen maar die indruk gewekt omdat onze economieën zulke gelukkige evolutie hebben gekend?

Het is niet uit te sluiten dat binnenkort de gevolgen van misgrepen in het monetair beleid duidelijk worden, ook al zijn daar nu weinig aanwijzingen van. Als in Amerika of het eurogebied groot financieel-economisch onheil uitbreekt, zullen ongetwijfeld kritische vragen over het optreden van de centrale banken worden gesteld. Maar tot vandaag bestaat de indruk dat ze met grote trefzekerheid tewerkgaan.

Over voorgaande generaties centrale bankiers valt het oordeel alleszins heel wat kritischer uit. Een van de episoden waarover de geschiedenis allesbehalve welwillend oordeelt, was de terugkeer van het pond sterling in april 1925 naar zijn veel te hoge vooroorlogse pariteit, die achteraf beschouwd werd als de vernietigendste financiële ingreep van de moderne tijd.

Formeel werd de stap gezet door minister van Financiën Winston Churchill, die echter in het Lagerhuis toegaf dat ,,niemand hem zou geloven als hij zich als monetair expert opwierp''''. De man achter de beslissing was de gouverneur van de Bank of England, Montagu Norman, die als het grootste financieel genie van zijn tijd werd beschouwd en daar zelf ook van overtuigd was. (Armand Van Dormael: De macht achter het geld). De Britse terugkeer naar de gouden standaard werd instemmend begroet door de president van de Federal Reserve Bank van New York, Benjamin Strong. (Charles Kindleberger: Financial History of Western Europe).

Montagu Norman beroemde er zich op dat hij veeleer op zijn gevoelens afging dan op zijn intellect, wat hem niet belette de ,,Old Lady'''' van 1920 tot 1944 te leiden. Toen een onderzoekscommissie hem vroeg hoe hij iets wist, tikte hij veelbetekenend driemaal tegen zijn neus. Gevraagd naar zijn redenen voor een beslissing stoof hij op: ,,Redenen, meneer de voorzitter, ik heb geen redenen. Ik heb instincten.''''

Tijdens de Grote Depressie kantte hij zich tegen begrotingsdeficits als middel om de vraag te doen opleven. Hitler en Hjalmar Schacht, de president van de Reichsbank, bestempelde hij als ,,bolwerken van de Duitse beschaving''''. Nog in januari 1939 ging hij naar Berlijn voor de doop van Schachts kleinzoon, van wie hij het peterschap aanvaardde en die de naam Norman kreeg. (David Kynaston: The City of London, volume III).

De val van het pond sterling in september 1931 vernam hij toen hij uit vakantie in Canada terugkeerde. Vice-gouverneur Harvey had hem aan boord van de oceaanstomer een telegram gestuurd, dat om veiligheidsredenen gesteld moest zijn in termen die voor indiscrete ogen onbegrijpelijk moesten zijn en dat daarom luidde: ,,Old Lady goes off on Monday''''. Norman had de mededeling niet begrepen en had ze dan maar in verband gebracht met vakantieplannen van zijn moeder. Toen hij in Liverpool voet aan wal zette, had hij nog niet het minste besef van wat gebeurd was, tot de krantenkoppen hem het ontstellende nieuws naar het hoofd schreeuwden. Hij was bij het sterfbed van zijn tederst gekoesterde illusie niet aanwezig geweest. (Valéry Janssens: De Belgische frank - Anderhalve eeuw geldgeschiedenis).

De Federal Reserve ontsnapt niet aan de kritiek. Sinds Milton Friedman en Anna Schwartz in 1963 hun diepgravende Monetary History of the United States publiceerden, wordt aangenomen dat zij mee schuld draagt voor de rampzalige omvang van de Grote Depressie. Weliswaar verlaagde Benjamin Strongs opvolger George Harrison in november 1929 het disconto en zorgde hij voor een verruiming van de geldomloop, zodat de centrale bank wel degelijk haar rol van ultieme geldverschaffer speelde. Tijdens de daaropvolgende jaren van verdere afglijding in de crisis zou ze echter de kredietschaarste hebben verergerd.

In oktober 1987 kreeg Wall Street een klap die vergelijkbaar was met die van 1929. Alan Greenspan kreeg meteen zijn vuurdoop. Zijn expansief monetair beleid hielp ervoor zorgen dat het ditmaal slechts een voetnoot in de geschiedenis werd.

Over de centrale bankiers van het derde kwart van de eeuw moet het oordeel vermoedelijk genuanceerd zijn, ook al moet men vaststellen dat het tot Volckers aantreden in 1979 duurde voor ze echt de grote inflatiegolf begonnen in te dijken. Sommigen legden zich misschien wat te gemakkelijk neer bij hun onvermogen om hun politieke meesters tot een meer orthodox gedrag te brengen.

Dat excuus van ondergeschiktheid aan het politieke gezag hebben ze vandaag niet meer.