De Verenigde Staten lijken vastberaden om Bagdad aan te vallen. Als Europa dat wil tegenhouden, moet het met een geloofwaardig alternatief voor de dag komen, schrijft Philip Stevens.

De Europese Unie heeft misschien een grondwet nodig. Waarschijnlijk heeft ze er geen nodig. Eén ding staat vast. De Europese leiders die vandaag nog bijeen zijn in Laken hebben wel dringender zaken aan hun hoofd.

Ze kunnen bijvoorbeeld beginnen nadenken over wat de volgende stap van de Verenigde Staten zal zijn in hun oorlog tegen het terrorisme. Hoe zit het bijvoorbeeld met het Irak van Saddam Hoessein?

Alle geruchten uit Washington bevestigen dat de Amerikaanse regering zich langzaam voorbereidt op een grootscheepse aanval op het regime in Bagdad. Dat er geen bewijzen zijn dat Irak iets te maken heeft met de aanslagen van 11 september speelt daarbij geen rol.

President George W. Bush heeft stilletjes de doelstellingen van zijn oorlog tegen het terrorisme verruimd. Nu richt die oorlog zich ook tegen elk land dat wapens voor massavernietiging ontwikkelt die een bedreiging vormen voor Amerika en zijn bondgenoten.

Saddam Hoessein past zeker in dat plaatje. Een decennium van sancties kon hem niet ontwapenen. Het is dus tijd om hem te vernietigen.

Het zal niet voor volgende week of volgende maand zijn. De langverwachte tweede fase van de Amerikaanse campagne zal zich waarschijnlijk richten op de netwerken van Al-Qaeda in landen als Somalië, Sudan, Jemen en de Filipijnen. Maar de aandacht voor Irak zal niet verslappen. Het is goed mogelijk dat de Verenigde Staten ergens in de loop van volgend jaar de Golfoorlog opnieuw voeren. Europa moet beslissen aan welke kant het staat.

Afghanistan was een krachtig bewijs van de militaire macht van de Verenigde Staten. Het was ook een nieuw soort oorlog. Een huwelijk van de Amerikaanse macht in de lucht en van de inlichtingendiensten met bondgenoten op de grond. Bovendien kwam de overwinning sneller en met minder kosten dan iedereen had voorspeld.

We mogen de dynamiek niet verloren laten gaan. Een Europese minister van Buitenlandse Zaken heeft het over een sfeer van triomfantelijke opwinding in Washington door de snelheid waarmee in Afghanistan de overwinning werd behaald.

Een Amerikaanse functionaris gebruikt een metafoor uit de atletiek. Denk aan een sprinter, zegt hij, die de 100 meter loopt en plots merkt dat hij na 50 meter al de eindstreep heeft bereikt. De atleet loopt nog op volle kracht. Het is te laat om te stoppen.

In eerste instantie zijn het de conservatieven in Washington die profiteren van de overwinning. Je hoort ze zeggen dat de linksen er helemaal naast zaten. Afghanistan zou een nieuw Vietnam worden. Pakistan zou in handen vallen van fundamentalisten. Het oproer in de straten van de Arabische landen zou een bedreiging vormen voor de weinige bondgenoten die Amerika in het Midden-Oosten heeft. Geen enkele voorspelling is uitgekomen.

Maar de drang om Irak aan te pakken vloeit niet enkel voort uit het schuldgevoel van conservatieven zoals Paul Wolfowitz, van Buitenlandse Zaken, die het zich nooit vergeven hebben dat ze George Bush senior een einde hebben laten maken aan de Golfoorlog. De roep om achter Saddam Hoessein te gaan weerklinkt in een breder spectrum.

De reden is heel eenvoudig. Bagdad is nog altijd massavernietigingswapens aan het ontwikkelen. Het heeft chemische en biologische mogelijkheden en misschien nog enkele Scud-raketten om het goedje te versturen. Het werkt weer aan een programma voor nucleaire wapens. Sinds 1998 zijn er geen inspecties meer geweest van de Verenigde Naties. De sancties van de VN zijn zo lek als een vergiet. Saddam is nog altijd gevaarlijk. Waarom hem een kans geven?

Europa verzet zich. Irak is volgens de Europese leiders niet te vergelijken met Afghanistan. Het is een functionerende staat, zij het een schurkenstaat.

Saddam heeft een machtig leger. De Iraakse oppositie -- de Koerden in het noorden en de sjiieten in het zuiden -- is zwak en versplinterd. Er zou een half miljoen Amerikaanse soldaten nodig zijn om Bagdad te veroveren. Het risico bestaat dat Saddam zijn raketten naar Israël afvuurt. Irak zou in drie delen uiteenvallen. Iran, niet echt de beste vriend van de Verenigde Staten, zou daar het meest baat bij hebben. De Arabische wereld zou in rep en roer staan. De Verenigde Staten zouden voor altijd hun rol kwijt zijn van vredestichter in het Midden-Oosten. Denk aan wat er zou gebeuren met de olieprijzen.

De meeste van die argumenten houden steek. De meeste zijn te horen zowel op het ministerie van Binnenlandse Zaken van Colin Powell als in de ambtswoningen van de Europese leiders. Een van de zaken die een land moet doen eer het ten oorlog trekt, is een goede visie hebben op het gewenste politieke eindresultaat. Wie moet Saddam Hoessein vervangen? Moet Irak verdeeld worden? De haviken in Washington moeten nog met antwoorden voor de dag komen.

Het probleem met het Europese standpunt is echter dat het volledig negatief is. Het is een lijst van zaken die de Verenigde Staten niet zouden moeten doen.

Wat ontbreekt, is een alternatieve strategie voor het omverwerpen of zelfs efficiënt isoleren van Saddam. Een beleid dat niets zegt, behalve dat de Verenigde Staten zich moeten beheersen, mist geloofwaardigheid. Bovendien heeft de ellenlange litanie van Europese bezwaren de sinistere ondertoon dat Europa misschien wel verkiest dat Saddam aanblijft. Jaag een hond weg en je krijgt een rekel terug, lijkt het motto.

De Europese leiders zullen dat natuurlijk ontkennen. Natuurlijk willen ze Saddam weg. Nu dat niet lukt, proberen ze het wapen van de afschrikking. De Britse minister van Buitenlandse Zaken, Jack Straw, speelde een sleutelrol om de Russische steun te verkrijgen voor ,,slimme sancties'', de doelgerichte handelsbeperkingen die volgend jaar het huidige algemene systeem zullen vervangen.

Dat volstaat niet. Als Europa de Verenigde Staten wil overtuigen dat de oorlog tegen het terrorisme niet gevoerd moet worden tegen schurkenstaten maar wel door failliete landen te helpen, moet het met iets beters voor de dag komen. Met iets veel beters. Het moet duidelijk maken dat als de nieuwe inspanningen om Bagdad te isoleren niet lukken, het de Amerikaanse militaire actie zal steunen.

Dat engagement is nodig om de sancties te doen werken en ervoor te zorgen dat de VN-inspecteurs weer aan de slag kunnen in Irak. Rusland moet onder druk worden gezet en worden overtuigd om de regels na te leven, en als dat zijn economische belangen in Irak schaadt dan moeten daar compensaties voor komen.

Dezelfde inspanningen moeten worden gedaan voor Jordanië, dat afhankelijk is van de gesubsidieerde olie uit Irak.

De Europeanen moeten zich volledig solidair tonen met de Verenigde Staten om de dwangdiplomatie te doen slagen. Frankrijk moet het absurde idee laten vallen dat Saddam een vetorecht heeft bij de keuze van de nieuwe inspecteurs. Bagdad moet worden overtuigd dat zijn tactiek van verdeel en heers niet meer werkt.

De leider die er veel belang bij heeft dat dit lukt, is de Britse premier Tony Blair. Sinds 11 september heeft Groot-Brittannië een briljant spel gespeeld waarbij het de Verenigde Staten steunde en vorm gaf aan de Europese respons. Tony Blair wil bij president Bush iets te zeggen hebben over wat er volgt. Zijn populariteit in de Verenigde Staten gaat gepaard met een nieuw respect bij de Europeanen. Een kloof tussen de Verenigde Staten en Europa over Irak zou daar een einde aan maken. Hij zou verplicht zijn een kant te kiezen.

Bovendien zou een Amerikaanse militaire campagne tegen Irak gevaarlijker zijn omdat er te weinig bondgenoten zijn. Daar zou Saddam baat bij hebben.

Het Europese standpunt tegen een oorlog met Irak kan een krachtig standpunt zijn. Maar het werd nog niet goed ingenomen.