De wereldeconomie bevindt zich volop in een sterk herstel: de productie steeg vorig jaar met 3,3 procent en het Internationaal Monetair Fonds verwacht voor dit jaar nog eens een stijging van 4,2 procent.

Je zou dus verwachten dat de ministers van Financiën van de Groep van de zeven rijkste landen dit weekend niet veel te bespreken hebben.

Dat is verkeerd gedacht. Het gevaar is dat van groeiende externe onevenwichtigheden. Jammer genoeg kunnen ze er niet veel aan doen.

Eerder deze week sloeg de Amerikaanse minister van Financiën, Larry Summers, de nagel op de kop op zijn gewone, directe manier. ,,Hoewel de VS minder dan de helft van het totale bruto binnenlands product van de G7 vertegenwoordigen, waren ze de afgelopen drie jaar goed voor meer dan drie vierde van de groei van de reële vraag in de G7. Volgens de huidige vooruitzichten zullen de VS dit jaar nog altijd verantwoordelijk zijn voor ongeveer twee derde van de groei van de reële vraag binnen de G7.''

De VS zijn inderdaad een uitstekende locomotief geweest. De vraag is hoelang het nog duurt voor die locomotief zonder brandstof valt. Vorig jaar bedroeg het Amerikaanse tekort op de lopende rekening 3,7 procent van het bruto binnenlands product. Het IMF voorspelt dat het tekort in 2000 zal stijgen tot 4,3 procent. Die tekorten overstijgen zelfs die van 1985 en 1986.

Dat kan waarschijnlijk niet eeuwig blijven duren. De bezorgdheid bestaat dat beleggers wegvluchten van Amerikaanse aandelen, wat de dollar naar omlaag zou duwen en de inflatie zou doen toenemen.

Dat zou een dilemma creëren voor de Federal Reserve, de Amerikaanse centrale bank, en misschien een noodlanding van de economie veroorzaken.

De G7 vraagt zich af hoe ze dat risico zo klein mogelijk kan houden. Het theoretisch antwoord is dat de vraag opnieuw in evenwicht moet worden gebracht. Daarvoor moet de vraag in de eurozone en in Japan sneller stijgen dan de productie terwijl in de VS het omgekeerde gebeurt.

Maar omdat het monetaire beleid in feite het enige beschikbare beleidsinstrument is, is er een groot probleem: een monetair beleid in de eurozone en Japan dat relatief expansiegericht is, zou hun wisselkoersen verzwakken tegenover de dollar. Dat zou de gewenste externe herschikking net tegenwerken.

Omdat een begrotingsbeleid ofwel niet ter beschikking staat, ofwel niet efficiënt is, ofwel zijn grenzen heeft bereikt -- zoals in Japan -- heeft de G7 een gebrek aan noodzakelijke beleidsinstrumenten. De enige zinvolle doelstelling is dat elk van de grote spelers zijn eigen economie probeert te stabiliseren en de druk die eventueel ontstaat afschuift op de vlottende wisselkoersen.

Voor de Bank van Japan betekent dat een sterk expansiegericht monetair beleid, ongeacht welke de impact is op de yen. Voor de Europese Centrale Bank betekent dat een rustige houding ten opzichte van een groei van de vraag, vooral wanneer die vraag met investeringen gepaard gaat.

Ondertussen moet de Federal Reserve de groei van de vraag terugbrengen tot een minder onredelijk niveau.

Op korte termijn zijn de effecten van die beleidsmaatregelen op de wisselkoersen en op de balansen vrij onduidelijk. Ze kunnen zelfs verkeerd blijken te zijn. Maar er bestaat geen andere werkbare manier van handelen.