James Tobin, de man die zijn naam gaf aan het idee om een belasting te heffen op speculatieve wisseltransacties, zegt dat het feit dat de anti-globalisten zijn idee overnemen, gebaseerd is op een misverstand.

Meer dan 30 jaar nadat ik met het idee speelde van een belasting op grensoverschrijdende wisseltransacties, wint de ,,Tobin-taks'' aan populariteit. In Europa toonden zowel de Fransman Lionel Jospin als de Duitser Gerhard Schröder zich enthousiast. Net als verscheidene organisaties die zich kritisch opstellen tegenover de globalisering.

Dergelijke wisseltransacties vinden uiteraard niet plaats binnen de eurozone. Maar het is misschien tijd om nog eens duidelijk te maken waar het idee vandaan komt en waarvoor het naar mijn mening gebruikt kan worden.

In 1971 gaf ik een reeks lezingen aan de universiteit van Princeton.* Ik had het daar over het macro-economisch beleid. Ik heb altijd al een academische interesse gehad in dat onderwerp en die werd nog aangescherpt toen ik tien jaar voordien in de raad voor economische adviseurs zat onder president J.F. Kennedy. Het begin van de jaren zeventig waren moeilijke tijden voor de Amerikaanse dollar en de wisselmarkten werden heel belangrijk voor beleidsmakers overal in de wereld.

Tijdens mijn lezingen ondervond ik dat ik veel aandacht besteedde aan buitenlandse betalingsbalansen en wisselkoersen. Iets wat ik in het Amerika van 1961 niet nodig zou hebben geacht.

Het wisselkoerssysteem van Bretton Woods was in 1971 ingestort nadat de VS er waren uitgestapt. Financiers en economen probeerden de schade in te schatten en debatteerden voornamelijk over de vraag of er weer een systeem van vaste wisselkoersen of van zwevende koersen moest komen.

Ik vond het verschil tussen de twee systemen niet zo groot omdat de vaste wisselkoersen niet echt vast waren. Het waren ,,regelbare koersen'' die onderhevig waren aan veranderingen als de centrale banken reserves verloren door handelstekorten of door speculatie.

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) stond nog altijd toe dat de uitstroom van kapitaal werd gecontroleerd maar die verdedigingsmuur begon het te begeven. De particuliere vorderingen op de reserves van de centrale banken groeiden sneller dan die reserves en dan de middelen van het IMF. De evoluties op het vlak van communicatie en informatieverwerking zorgden ervoor dat wereldwijde financiële transacties snel en gemakkelijk werden voor iedereen en dat die overal en op elk moment kon worden uitgevoerd. Waarom geen wereldmunt, niet-regelbare koersen, een wereldmuntunie, de euro op grote schaal? Dat zou goed zijn, dacht ik, maar het is niet haalbaar. Toen niet en nu niet. En dat komt door de heterogeniteit van de naties. We kunnen zelfs niet zeker zijn van de euro.

In 1971 dacht ik dat de internationale monetaire hervormingen geen kwestie waren van vaste versus vlottende wisselkoersen. De vraag was hoe je een redelijke stabiliteit kan realiseren op de wisselmarkten. Ik herinnerde me dat Keynes na de beurskrach van 1929 dacht aan een omzetbelasting om de beleggers in zekere zin te doen ,,trouwen'' met hun activa. Hij dacht daarbij aan de Amerikaanse speculanten. Zijn landgenoten, vond hij, waren al sober genoeg door de toeslag op de omzet die de Londense beurs had ingevoerd.

Mijn hoofddoel was om een zekere mate van nationale monetaire autonomie te bewaren. Marktarbitrage en speculatie hebben de neiging om de intrestvoeten (risico-gecorrigeerd) op de geldmarkt voor elke munt op hetzelfde niveau te houden over de hele wereld. Daardoor heeft een centrale bank niet de mogelijkheid om zijn monetair beleid aan te passen aan de lokale economie. Maar als die arbitrage en speculatie verschillende transacties vereisen waarop een belasting verschuldigd is, kan de intrestvoet in een bepaald land verschillend zijn van die in New York of Tokyo.

Een belasting van 0,05 procent is verwaarloosbaar voor een eenmalige transfer maar als ze een keer per week wordt betaald dan roomt ze 2,5 procentpunt af van het jaarlijkse rendement en veel meer van de opbrengst van de daghandel. De buffer, 2,5 procent in het voorbeeld, biedt de centrale bank enige ruimte om haar eigen kortetermijnrente te wijzigen.

Mijn voorstel werd kort beschreven in mijn lezingen uit 1971 en werd in 1978 verder uitgewerkt. Vele jaren werd dat voorstel genegeerd maar in 1995 was dat het onderwerp van een academisch symposium voor het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties. **

De Tobin-taks wordt nog altijd genegeerd in de VS maar in Europa is ze een centraal thema bij organisaties die ijveren voor hervormingen en bij protestbewegingen. Ik heb met hen niets te maken en ze hebben me ook niet geïnformeerd over hun programma. Deze afwijzing betekent niet dat ik mijn eigen voorstel afwijs. Dat doe ik zeker niet. Ik heb geen controle over het gebruik van de woorden ,,Tobin-taks''. Ik ga er wel vanuit dat de meeste voorstanders van mijn voorstel goede bedoelingen hebben maar ik betreur de werkwijze van sommige extremisten.

Ik ben, zoals de meeste economen, voorstander van vrije handel en ik keur kapitaalinvesteringen in arme landen goed, of ze nu vanuit de privésector of vanuit de overheid gebeuren. Ik beschouw de Wereldbank en het IMF als essentiële instellingen. Ik sta wel kritisch tegenover bepaalde punten uit hun beleid en tegenover bepaalde acties maar toch ben ik er voorstander van om hun middelen en functies uit te breiden. Ideaal zou zijn dat het IMF het instrument zou zijn om de belasting op de transacties te beheren.

Ik begrijp wel dat een belasting op transacties de liquiditeit belemmert en dat de belasting van toepassing zou zijn, zowel op transacties die een stabiliserend effect hebben, als op destabiliserende transacties van speculanten. Het voordeel van de belasting is dat ze de personen die de meeste transacties uitvoeren, het hardst raakt. De wisselmarkt vereist frequente technische verhandelingen tussen bankiers-handelaars. Zij moeten niet belast worden per transactie maar op de wijziging van posities in een bepaalde periode, bijvoorbeeld een week.

Om het gevaar van belastingparadijzen af te wenden, zouden de meeste landen waar de wisselmarkten een belangrijke bankactiviteit zijn, de belasting moeten heffen. Een andere verdediging tegen de belastingparadijzen kan erin bestaan dat de staten die de belasting heffen, elke transfer van fondsen naar landen die de belasting niet heffen, beschouwen als een belastbare transactie, ook al gebeurt die binnen dezelfde bank.

In tegenstelling tot wat de senatoren Jesse Helms en Bob Dole vermoedden in het verkiezingsjaar 1996, pleitte ik niet voor een VN-belasting. Ik zou ervan uitgaan dat elke nationale regering de afgesproken belasting int via de normale procedures en dat ze zelf beslissen wat ze met het geld doen. Dat zou landen kunnen aanmoedigen ook de belasting in te voeren.

Van bij het begin heb ik gesuggereerd dat het gepast zou zijn dat het geld van multinationale belastingen wordt gebruikt voor internationale doeleinden zoals de activiteiten van de Wereldbank. Maar dat was nooit mijn hoofddoel. Mijn doel was wel om het aantal belastbare transacties te doen dalen. Maar de inkomsten uit de belasting zijn bij de voorstanders waarschijnlijk de grootste aantrekkingskracht van de Tobin-taks, samen met het verkeerde idee dat de belasting op een of andere manier een klap zou betekenen voor het vermeende kwaad van de globalisering.

* The New Economics: One Decade Older (Princeton University Press, 1974)

** The Tobin Tax (Haq, Kaul and Grunberg eds. Oxford Press, 1996)

  • De auteur is professor emeritus in de economie in Yale.