Vader doet het. Moeder ook. Alle ooms en tantes, en zelfs de neefjes en nichtjes die al uit werken gaan. Alleen oma en opa doen het niet meer, die zijn er te oud voor. We hebben het over pensioensparen. Een spaarformule voor de oude dag die nu bijna vijftien jaar bestaat. Fiscaal vertoont ze gelijkenissen met de levensverzekering, maar ze biedt kansen op een veel beter rendement. Wie niet meedoet, betaalt elk jaar zowat 250 euro (10.000 frank) meer aan de fiscus dan nodig. Maar verzekert het pensioensparen je ook van een zorgeloze oude dag?

De tijdswaarde van geld is een van de meest onderschatte factoren bij het beheer van een gezinsbudget. Zeker als je met een langetermijnhorizon werkt. In een periode van hoge inflatie is de geldsluier, zoals economen het bedrieglijke van de nominale geldwaarde omschrijven, allicht doorzichtiger dan tijdens jaren van aanhoudend verwaarloosbare inflatiepercentages, wanneer niemand zich kan inbeelden dat de prijzen in enkele jaren tijd verdubbelen en de koopkracht bijgevolg gehalveerd wordt.

Iemand die bij het begin van de jaren zestig begon af te dragen voor een extra pensioen van pakweg 3.000 frank per maand, had toen het vooruitzicht op een verhoging met ongeveer 50 procent van het wettelijk gegarandeerd minimumpensioen. Sindsdien is de index met bijna 300 procent gestegen. Voor hetzelfde boodschappenmandje moet hij/zij nu drie keer zoveel betalen. De koopkracht van die 3.000 frank is bijgevolg teruggevallen tot ongeveer een kwart van het verhoopte. Geen leuk vooruitzicht aan de vooravond van je pensionering.

Wacht jonge mensen, die nu aan het begin staan van hun carrière, niet eenzelfde koude douche als zij over pakweg 35 jaar een punt zetten achter hun loopbaan? Zullen zij moeten vaststellen dat een extra pensioen van bijvoorbeeld 15.000 frank per maand in het jaar 2036 niets meer voorstelt, omdat een brood 250 frank kost, een bescheiden appartement gehuurd wordt tegen 50.000 frank per maand en voor een middenklasseauto bijna 2 miljoen frank moet worden neergeteld?

Alles hangt uiteraard af van de evolutie van de inflatie tijdens die komende 35 jaar. En omdat niemand het economisch gebeuren over zo'n lange periode zelfs maar bij benadering kan voorzien, is voorzichtigheid geboden.

Als vuistregel mag je rustig aannemen dat het vooral oppassen geblazen is met contracten waarin een vast bedrag wordt vooropgesteld. Een dertigjarige die nu een contract aangaat dat hem binnen 35 jaar een kapitaal garandeert van 5 miljoen frank denkt misschien dat hij daarmee een aardige appel voor de dorst kweekt, maar wat als een of twee inflatiegolven de appel herleiden tot een uitgedroogd prakje appelmoes?

Als de gemiddelde inflatie tijdens de komende 35 jaar op hetzelfde peil ligt als tijdens de voorbije 35 jaar, vertegenwoordigt die 5 miljoen in 2035 nog de koopkracht van 1,25 miljoen nu.

De positieve kant van het verhaal is uiteraard dat ook de gestorte premies constant blijven, zodat de reële last van het sparen met de jaren vermindert en eventueel een groter deel van het gezinsinkomen op een andere manier kan worden gespaard.

Bij pensioensparen wordt het bedrag dat je maximaal kunt storten aangepast aan de index. Om de paar jaar, als een drempel wordt overschreden, trekt de fiscus het bedrag op. Bij de start in 1987 mocht per meerderjarige belastingplichtige 20.000 frank per jaar worden gestort. Enkele jaren later werd dat bedrag opgetrokken tot 22.000 frank. Door het samenspel van de euro en de indexering is het bedrag dit jaar geklommen tot 580 euro (23.397 frank).

Je kunt als pensioenspaarder kiezen tussen twee formules. De eerste is een pensioenspaarrekening en komt neer op investeren in een speciaal beleggingsfonds dat aan meer beperkingen is onderworpen, de tweede -- de pensioenspaarverzekering -- is een speciale versie van een levensverzekering.

Zo'n verzekering biedt meestal hetzelfde rendement als een klassieke levensverzekering. Bij de meeste maatschappijen is dat tegenwoordig 3,25 tot 3,75 procent per jaar. Daarbovenop komt een winstdeelneming, afhankelijk van de resultaten van de verzekeraar. De premies zijn aftrekbaar van de belastingen tegen de bijzondere gemiddelde aanslagvoet (30 tot 40 procent, afhankelijk van het inkomen), verhoogd met de gemeentelijke opcentiemen en de crisisbelasting.

De fiscale aftrek geldt voor iedere belastingplichtige die ouder is dan achttien jaar. Bij een -- al dan niet gehuwd -- paar mogen dus beide partners voor 580 euro aan pensioensparen doen en aftrekken van hun belastingen.

Pas wel op als een van beide partners een heel laag, of geen inkomen heeft. De bijzondere gemiddelde aanslagvoet van 30 procent zal van toepassing zijn, maar het bedrag dat je terugkrijgt, kan niet groter zijn dan wat je in het totaal aan belastingen hebt betaald. Let zeker op als je inkomen vooral bestaat uit pensioenen of andere vervangingsinkomens en je dus nagenoeg geen belastingen betaalt.

Dezelfde aftrek geldt voor de pensioenspaarrekeningen. Maar hier is de opbrengst onzeker. Ze is afhankelijk van het rendement dat het beleggingsfonds haalt. Over een voldoend lange periode -- ten minste tien jaar -- ligt dat rendement in princiep hoger, maar zeker ben je nooit.

Als je van pakweg je 25ste tot je 65ste jaarlijks 580 euro stort in een pensioenspaarfonds kun je daar ruim 250 euro (dik 10.000 frank) van terugkrijgen langs de fiscus. Op het einde van de rit krijg je dan een kapitaal op je rekening van zowat 79.000 euro (ruim 3,2 miljoen frank).

Om de vergelijking gemakkelijk te maken, hebben we van het bijeen gespaarde bedrag de inflatie al afgetrokken. De 79.000 euro van over veertig jaar hebben dus dezelfde koopkracht als nu. We hebben rekening gehouden met 3 procent instapkosten en we zijn uitgegaan van een nettorendement van 6 procent. Dat is een conservatieve schatting als je beseft dat de meeste studies voor aandelen uitgaan van een langetermijnrendement van ruim 10 procent.

Gaan we ervan uit dat de gemiddelde inflatie 3,5 procent bedraagt, dan zullen we nominaal 217.500 euro ontvangen, bijna 9 miljoen frank. Daar gaat nog 6.400 euro belastingen af. De fiscus komt aan dat bedrag door de premies te kapitaliseren tegen 4,75 procent (64.000 euro in dit voorbeeld) en op het zo gevormde kapitaal een eenmalige belasting te heffen van 10 procent. Voor stortingen van voor 1993 wordt gewerkt met een kapitalisatie tegen 6,25 procent en een eenmalige heffing van 16,5 procent.

Bij de pensioenspaarverzekeringen heft de fiscus 10 procent op het verzekerde kapitaal. De winstdeelnemingen zijn volledig belastingvrij. Hier wordt dus het echte rendement belast.

De eindheffing gebeurt op je zestigste verjaardag, tenzij je pas na je 55ste met pensioensparen bent begonnen. In dat geval wordt het kapitaal belast op de tiende verjaardag van de eerste storting. Iemand die tijdig met pensioensparen is begonnen, heeft er alle belang bij om ook na zijn zestigste verjaardag nog premies te storten. Zij zijn dan tot en met het jaar waarin je 64 jaar wordt aftrekbaar van de belastingen, net als voorheen. Maar op de verdere kapitaalaangroei wordt geen belasting meer geheven.

Let er ook op dat je de (premie)storting in het jaar dat je zestig wordt, pas doet na je verjaardag. Anders wordt die premie nog bij het te belasten kapitaal geteld. Vanaf de dag na je verjaardag ontsnapt de premie aan de fiscus.

Maar al die fiscale voordelen geniet je maar als je aan een paar voorwaarden voldoet.

  • Om te beginnen moet het contract met de verzekeraar een looptijd hebben van ten minste tien jaar. Als je kiest voor een pensioenfonds moet je er voor ten minste tien jaar instappen.
  • Vraag je je pensioenkapitaal toch vroeger op, dan verlies je de fiscale aftrek van de premies niet, maar bij de uitkering word je meteen belast tegen 33 procent. Ben je bovendien nog niet ouder dan zestig, dan komen daar nog eens gemeentelijke opcentiemen bij. Ook als je minder dan vijf stortingen doet, word je belast tegen 33 procent, verhoogd met de opcentiemen.

  • Bij de eerste storting moet je tussen 18 en 64 jaar oud zijn.
  • Je mag meerdere pensioenspaarfondsen aanhouden, maar er slechts één van inbrengen op je belastingformulier. De stortingen in dat fonds of in het kader van dat contract, mogen niet meer bedragen dan 580 euro per jaar (kan door indexering later eventueel meer worden).
  • Een jaar dat je aan pensioensparen doet en daar de fiscale voordelen wilt van plukken, kun je geen aankoop inbrengen van aandelen of deelbewijzen van de onderneming waar je werkt. Die aankoop is overigens enkel aftrekbaar als hij is gebeurd bij de oprichting van de vennootschap of in het kader van een kapitaalverhoging. Je moet die aandelen bovendien ten vijf jaar bijhouden. De faciliteit staat bekend als ,,Monory-bis'', naar de minister van Financiën die het pensioensparen in Frankrijk lanceerde dat door België als voorbeeld werd gebruikt.
  • Vergeet bij dit alles tenslotte niet dat de pensioenfondsen aan meer beperkingen zijn onderworpen dan gewone beleggingsfondsen. Dezelfde beperkingen gelden trouwens voor de pensioenverzekeringscontracten. Die beperkingen drukken op het rendement.

    Hoewel pensioensparen bij uitstek een langetermijnhorizon heeft, beleggen de fondsen of de verzekeraars niet uitsluitend in aandelen. Ze mogen dat wel, maar dan alleen in Belgische aandelen, en die doen het de jongste jaren niet bijzonder goed. Meer dan 10 procent in buitenlandse waarden stoppen of in deposito's en termijnrekeningen mag evenmin. Voor Belgische aandelen geldt een minimum van 30 procent. Het resterende bedrag moet in Belgische obligaties of vastgoedcertificaten belegd worden.

    De verplichting om 90 procent van het geld in Belgische waarden te stoppen wordt al een tijdje aangevochten, en de verwachting is dat ze in een Europese context niet lang meer zal standhouden. Als die beperking wegvalt, is dat slecht nieuws voor de beurs van Brussel, maar goed nieuws voor de spaarders die op termijn allicht een beter rendement zullen halen.

    Per saldo is het belangrijkste argument om aan pensioensparen te doen duidelijk van fiscale aard. In het voorbeeld hierboven halen we een reëel rendement, na verwerking van het fiscaal voordeel, van net geen 8 procent. Voegen we er nog de verwachte inflatie aan toe, dan komen we uit rond 11,5 procent. Dat is beter dan het gemiddelde op de markt, ondanks de conservatieve veronderstellingen.