Als Turkije zijn wens wil zien uitkomen om toe te treden tot de EU, dan moet het de hervormingen van het Internationaal Monetair Fonds doorvoeren. Die hervormingen zijn bedoeld om de prijsstabiliteit te verzekeren, schrijft Martin Wolf.

Voor de meeste mensen in de Europese Unie is het Turkse lidmaatschap een mogelijkheid die hen zorgen baart, maar die ver verwijderd lijkt. In Ankara leeft er een andere visie. Vele Turken hechten veel belang aan de beslissing die de EU in december vorig jaar nam, om hun land te aanvaarden als een kandidaat-lid.

De hindernissen om van Turkije een goed lid van een werkbare Europese Unie te maken, zijn groot. Aan sommige is gewoon niets te doen. Het land ligt in bijna elke betekenis aan de rand van West-Europa en volgens de Wereldbank zal het in 2015 een bevolking van 80 miljoen mensen hebben, waarmee het de grootste lidstaat van de EU zou zijn.

Daar is nu eenmaal niets aan te doen. Andere problemen kunnen wel worden opgelost. Turkije kan bijvoorbeeld veel doen om van het land een rechtsstaat te maken. De verkiezing van Ahmet Necdet Sezer, het voormalige hoofd van het Hooggerechtshof, als president is een stap in de goede richting. Economische vooruitgang is even cruciaal. In Turkije bedraagt het inkomen per hoofd, volgens koopkrachtpariteit, precies eenderde van het gemiddelde in de EU. Die kloof moet kleiner worden, wil de rest van de EU een vrij verkeer van arbeid aanvaarden.

De economische resultaten van Turkije zijn niet echt slecht. Maar de groei was onstabiel en daalde sterk in de tijd, van een gemiddelde van 5,4 procent in de jaren '80 tot 3 procent in de jaren '90. Aan dat ritme zou het land bijna een eeuw nodig hebben om het huidige gemiddelde inkomen per hoofd in de eurozone te bereiken.

Achter die variabele en dalende groei zit een variabele en hoge inflatie. Dat verklaart dan weer het ambitieuze driejarenplan voor stabilisering en structurele hervormingen waarover het land in december een akkoord sloot met het Internationaal Monetair Fonds. (*) Veel hangt af van het succes van dat plan. Niets zou de Turkse kandidatuur geloofwaardiger maken dan een inflatie van minder dan 10 procent.

Hoe groot is de kans op succes? Het antwoord is: vrij groot, niet in het minst omdat er geen alternatief is. Inflatie is een onpraktische manier geworden om de scheuren in de begroting te verdoezelen. De ratio van de netto overheidsschuld tegenover het bruto binnenlands product is in de jaren '90 verdubbeld tot 58 procent; de reële intrestvoet op overheidsleningen bereikte in 1999 25 procent.

Het huidige plan is het meest ruime en ambitieuze en best uitgewerkte dat het land ooit heeft gekend. Dat is ook nodig, gezien de trieste situatie en de mislukkingen in het verleden. Turkije had al 16 overeenkomsten voor bijstand met het IMF. Behalve twee, werden ze alle stopgezet nog voor ze waren afgerond.

Het plan steunt op drie pijlers: een belangrijke aanpassing van de begroting in de beginperiode, een sterk engagement met betrekking tot de wisselkoers en een reeks structurele maatregelen. Ze zijn alle drie belangrijk.

Zonder een begrotingsaanpassing van bijna 5 procent van het bruto binnenlands product tussen vorig jaar en dit jaar zouden de zwakke overheidsfinanciën de regering zeker teruggeleid hebben naar een inflatoir financieel beleid.

Op dezelfde manier moet een vooraf bepaalde devaluatie van de wisselkoers -- dit jaar met 20 procent -- zorgen voor een anker voor de prijsverwachtingen.

De structurele hervormingen ten slotte, die betrekking hebben op de privatisering, de herstructurering van de banksector, een herziening van de overheidssteun aan de landbouw, de hervorming van de pensioenen en het begrotingsbeleid, zijn nodig om de economische efficiëntie te verhogen, eventuele claims op de overheid te beperken en om via de privatiseringen de overheidsschuld te stabiliseren.

Het is nog maar vijf maanden geleden sinds het IMF zijn steun toezegde aan het driejarenplan. Het is dus nog te vroeg om te zeggen of het zal slagen. Maar hoewel er nog politieke en economische gevaren bestaan, zijn de eerste tekenen heel hoopgevend.

Het eerste en zeker het belangrijkste punt is dat Turkije een stabiele en vastberaden regering lijkt te hebben.

Ten tweede zijn de verwachtingen over de inflatie veel verbeterd. De intrestvoeten op schatkistcertificaten zijn gedaald van meer dan 90 procent in november tot ongeveer 40 procent begin dit jaar. Op de veilingen van april bedroegen de rentevoeten 38 procent voor een vervaldag op drie maanden en 32 procent op 14 maanden.

Ten derde is de inflatie aan het dalen. De index voor groothandelsprijzen voor privé-producenten, die wordt beschouwd als de best beschikbare indicator van de inflatie, steeg in april met 1,9 procent en 13,8 procent totnogtoe dit jaar. De stijging van de inflatie voor april is de laagste sinds juli 1994.

Ten vierde is de begrotingsaanpassing gebeurd volgens plan. De regering lijkt de doelstelling te halen voor dit jaar. Die bedraagt 2,2 procent van het bruto binnenlands product voor het primaire overschot (overschot min de netto intrestbetalingen) van de volledige overheidssector.

Ten vijfde zullen de opbrengsten van privatiseringen dit jaar zeker hoger liggen dan de vooropgestelde 7,5 miljard dollar -- ongeveer 3,5 procent van het bbp. Turkije heeft een enorm voordeel gedaan aan de wereldwijde meevalllers in de mobiele telefonie. Waarschijnlijk zal het 6 miljard dollar verdienen aan zijn veiling voor gsm-licenties.

Ten zesde stijgt de productie weer na de sterke recessie van vorig jaar. De regering hoopt dit jaar op een groei van 5 á 5,5 procent. De productie zou wel onder het niveau blijven van 1998 maar dat herstel zou goed zijn voor de overheidsinkomsten en zou de politieke weerstand verzachten.

Dat is allemaal zeker hoopgevend. Maar er zijn nog grote gevaren. Er zijn zuiver politieke zorgen: de Turkse politici hebben een welverdiende reputatie voor onverantwoordelijkheid.

Er zijn daarenboven nog meer directe gevaren. In het niet beperken van de officiële prijzen voor landbouwproducten schuilt één gevaar. Een ander gevaar is dat de regering niet verdergaat met de hervorming van de programma's voor steun aan de landbouw. Nog een ander schuilt in een lakse controle over de lonen. Het gevaar van elk desinflatieplan is een expliciete of impliciete indexatie met terugwerkende kracht. Met een snel dalende inflatie zou dat een grote sprong van de reële lonen betekenen. Dat zou schadelijk zijn voor het rendement en de werkgelegenheid.

Het grootste gevaar is echter het voor de hand liggende: een inflatie die weer begint te stijgen. Met de vooropgezette depreciatie van 20 procent, zou een inflatie van bijvoorbeeld 35 procent op jaarbasis leiden tot een aanvaardbaar verlies van internationale concurrentiekracht. Zolang de inkomsten uit privatiseringen hoog blijven, zou een eventueel tekort op de lopende rekening betaalbaar blijven. Maar dat kan slecht zijn voor de geloofwaardigheid van de desinflatie. Het plan is om de fluctuatiemarges te verbreden rond de aangekondigde wisselkoers in 2001. Een grote toename van het externe deficit zou de verwachting kunnen creëren dat de wisselkoers zou dalen tot de bodem van de marge en dan door de marge zou schieten.

Dat gevaar kan worden beperkt door vast te houden aan alle doelstellingen van het plan.

Op voorwaarde dat de overheid even vastberaden blijft als totnogtoe, hebben ze een uitstekende kans om de inflatoire cyclus te doorbreken. Dat is op zijn beurt een noodzakelijke voorwaarde om een binnenlands economisch succes te behalen en om lid te worden van de EU. Het lot van hun land ligt in hun handen.

* www.imf.org

© The Financial Times